de baas

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bas]
Verbuigingen:  bazen (meerv.)

de bazin

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  [baˈzɪn]
Verbuigingen:  bazin|nen (meerv.)

1) iemand die de leiding heeft
Voorbeelden:  `de baas van de afdeling`,
`er kan er maar één de baas zijn`
Synoniem:  leider
iemand de baas zijn  (iets beter kunnen dan de ander)
de baas spelen  (doen alsof je de leider bent)

2) eigenaar
Voorbeelden:  `de baas van de winkel`,
`de baas van het hondje`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
baasje beheerser bevelhebber bolleboos chef directeur eigenaar gebie gebieder hoofd kanjer koning leider man meerdere meester patroon superieur voorman werkbaas ondergeschikte (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• iemand of iets de baas zijn. (=iemand of iets kunnen overmeesteren.)
• het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
• er is altijd baas boven baas. (=er is altijd iemand die het nog weer beter doet of beter weet.)
• een baas boven baas zijn (=er is altijd wel iemand die het beter kan of het beter denkt te kunnen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met baas een ander begrip versterken?
druk als een klein baasje;

5 definities op Encyclo
  • •overste, leider, chef.
  • wie de leiding heeft vb: hij is de baas van de ploeg hij speelt de baas [hij doet alsof hij meer te vertellen heeft] het is altijd baas boven baas [er is altijd iemand di...
  • 1) Aanspreektitel 2) Aanvoerder 3) Baasje 4) Beheerser 5) Beroep 6) Bestuurder 7) Bevelhebber 8) Bolleboos 9) Broodheer 10) Chef 11) Commandant 12) Directeur 13) Eigenaar...
  • meerdere, hoofd Jaar van herkomst: 1280 (CG I 1, 462 )
  • meester
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met baas:
    baasachtig

    Deze woorden eindigen op baas:
    breinbaashuisbaaskoppelbaaskotbaaskroegbaasomroepbaasvechtersbaasverbaaswijbaaszetbaas

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    baas (leider, hoofd van iets)