de chef

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ʃɛf]
Verbuigingen:  chef|s (meerv.)

de chef|fin

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  [ʃɛˈ|fɪn]
Verbuigingen:  chefin|nen (meerv.)

iemand die de baas is van een afdeling
Voorbeelden:  `aan de chef vragen of je verlof kunt krijgen`,
`chef-kok`
Synoniemen:  baas, bedrijfsleider

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
afdelingschef afdelingshoofd baas hoofd leider voorman werkbaas ondergeschikte (antoniem)

12 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling van 1858 Fr., hoofd, aanvoerder, bevelhebber, het opperhoofd, de opperste, voorstander. Chef d'escadre, een schout-bij-nacht. Chef d'oeuvre, een meesterw...
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s), hoofd, opperhoofd, opperste aanvoerder, leider. ~D'OEUVRE, o. meesterstuk.
  3. wie de leiding heeft vb: mijn chef wil dat ik overwerk Synoniemen: baas meester
  4. [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Chef``] Zie Regiment
  5. •de baas, iemand die de leiding heeft.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met chef:
chef-kokchef-redacteurchefs

Deze woorden eindigen op chef:
korpschefstafchefpolitiechefmeesterchefscheffiliaalchef

Herkomst volgens etymologiebank.nl
chef (persoon die aan het hoofd staat)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `chef` kennen.