Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek


9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `vuil`

  1. de vuile was buiten hangen (=over onaangename zaken spreken met buitenstaanders)
  2. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  3. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  4. ergens een vuile pijp aan roken (=er veel nadeel van ondervinden)
  5. ergens geen woorden aan vuilmaken (=er niets eens over spreken)
  6. iemand een vuile mond geven (=iemand uitschelden)
  7. uit vuile lepels eten (=staat U te wachten als het slecht afloopt)
  8. vuile boter, vuile vis (=Zonder goed gereedschap bereik je geen goede resultaten)
  9. zijn eigen nest bevuilen (=zijn eigen omgeving nadeel berokkenen)

3 betekenissen bevatten `vuil`

  1. een Augiasstal reinigen (=het opruimen van een vreselijk vuile boel)
  2. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  3. zonder complimenten (=zonder meer, zonder er verder nog woorden aan vuil te maken)

Het dialectenwoordenboek kent 62 spreekwoorden met `vuil`

  1. Klemskerks: zwarte school' (h)oedn: in gezelschap vuilbekken, vunzige praat vertellen. Ook vuilemuilen. (=zwarte school houden)
  2. Alblasserdams: vuile taddek (=vuile viezerik)
  3. iepers: z'en moet'n schreep'n (=de vuiligheid van het lichaam geschraapt)
  4. Munsterbilzen - Minsters: aaë brol, zaagte boer, èn hae goejde ze wijf ènde vaulbak (=afval en prullen moeten in de vuilbak)
  5. Geels: in de raa zijn (=vuile nagels hebben)
  6. Bolserters: fyne streekjes (=vuile, achterbakse streken)
  7. Nijkerkerveens: noar de vullus (=naar de vuilnis)
  8. Lopiks: kliko aan de dijk zetten (=vuilnis buiten zetten)
  9. Nieuwerkerks: de voilstje veirkens willen t'skunsjte struwe (=de vuilste varkens willen het mooiste sto)
  10. Lebbeeks: raa: In de raa zijn (van a kat) (=vuile nagels hebben)
  11. Tiens: een zwette zoeg (=vuil vrouw)
  12. Aalsters: bedesteren (=zich vuil maken)
  13. Zeeuws: oe vuulder wuuf oe lekkerder koffiie (=vuile vrouw)
  14. Lokers: ij zie zue zwart as meurkes klueten (=heel erg zwarte of vuile persoon)
  15. Antwerps: de voale hoek (=de vuile hoek)
  16. Mols: dao kunde patatten op zoaje (=vuile voeten)
  17. Liedekerks: Tes do zo zwet as oelje (=Het is daar vuil)
  18. Hansbeeks: zue zwart of moorkens kluetn (=heel vuil)
  19. Zunderts: zo zwart als oske pek (=heel vuil zijn)
  20. Bornems: in 't slameur zitten (=in het vuil zitten bij werkzaamheden)
  21. Opglabbeeks: zu zwart wienen turk (=erg vuil zijn)
  22. Bilzers: knots versliëte, zaag Jef, èn hae goejde zen vroo mètte sjroepdoek ènde vaulbak (=wat niet meer dient, gaat rechtstreeks in de vuilbak)
  23. Sint-Niklaas: die is mè geen tang vast te pakken (=vuile, vieze, onverzorgde mens)
  24. Moes: zu zwert as ne muër (=hij is erg vuil)
  25. Zunderts: zo zwart as nen turk (=heel vuil zijn)
  26. Merkems: begaaien (=u zelf vuil maaken)
  27. Nunspeets: Der vuilt neet mee te egen of te ploegen (=Er valt niks mee te beginnen)
  28. Wetters: een voore mee rijn (=er met de vuile voeten van door gaan)
  29. Olens: die vant glaze kaske (=meisje dat niet vuil mag worden)
  30. Vlijtingens: Hubste oan de baggelzwog gehange (=Je hebt een vuile mond)
  31. Lichtervelds: jis zoî zwort of moljes gat (=hij is zeer vuil)
  32. Sint-Niklaas: pladesteren (=iets vuil maken)
  33. Munsterbilzen - Minsters: te vaul vër métten tang oën te riere (=afgrijselijk vuil)
  34. Sinttruins: zoe zwat as ne haasdouk (=zeer vuil)
  35. Lichtervelds: jis zoî zwort of e schoe (=hij is vuil)
  36. Lichtervelds: jis moljeszwort (=hij is zeer vuil)
  37. Klings: gelijk rees peckkoek (=heel vuil huishouden hebben)
  38. Diesters: teste voël oem me en tang aan te raoke (=zeer vuil)
  39. Merenaars: vuile rojjigen ond (=vieze smerige hond)
  40. Tilburgs: hè lòt aander meense d-aase ötkrööje (=hij laat anderen het vuile werk doen)
  41. Munsterbilzen - Minsters: t smaer löppem autte aure (=hij moet zonodig zijn vuile oren eens poetsen)
  42. Amsterdams: Blijf daar met je vuile jatte van af! (=Blijf daarvan af!)
  43. Sint-Niklaas: de spiegel is wa bekeuzeld (=de spiegel is een beetje vuil)
  44. Dendermonds: Hij es zu zwert as de schaa (=Hij heeft zich vuil gemaakt.)
  45. Munsterbilzen - Minsters: de konster mekans sop van koeëke (=je kleren zijn nogal vuil !)
  46. Sint-Niklaas: iets int vuil schrèven (=iets in het klad schrijven)
  47. Munsterbilzen - Minsters: mét geen tang aon te raoke (riere) (=vuil en vettig)
  48. Lopiks: 'k ga ff de vullis (of kliko) aan de dijk zetten (=Ik ga even de vuilnis aan de weg zetten)
  49. Munsterbilzen - Minsters: hae ès èn de roo (=hij heeft vuil onder zijn nagels)
  50. Lochristis: ij ee lookerschen brand (=hij heeft zich niet gewassen/ hij is vuil)



Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen