Spreekwoorden met `uch`

Zoek

37 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `uch`

  1. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  2. beter één vogel in de hand dan tien in de lucht (=liever een beetje dan helemaal niets / kleine concrete resultaten zijn beter dan grootse plannen)
  3. de kou is uit de lucht. (=het is opgelost)
  4. de lucht hangt nog vol dagen. (=er is tijd genoeg)
  5. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  6. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  7. de vruchten zullen de beloften der bloemen overtreffen (=het is nu al goed, maar het eindresultaat wordt nog veel beter)
  8. donderbuien zuiveren de lucht. (=een ruzie kan een hangende situatie oplossen)
  9. een gat in de lucht slaan (=een onnozele handeling doen)
  10. een gat in de lucht springen (=ongeremd enthousiast zijn)
  11. een luchtje happen (=even buiten gaan wandelen)
  12. een luchtje scheppen (=even buiten gaan wandelen)
  13. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  14. er lucht aan geven (=laten blijken)
  15. er lucht van krijgen (=iets in de gaten krijgen)
  16. er zit een luchtje aan (=het is niet juist, het klopt niet helemaal)
  17. geen kou aan de lucht (=geen gevaar)
  18. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  19. het onweer is niet van de lucht (=iets dat steeds blijft doorgaan of iemand die telkens weer kwaad tekeer gaat)
  20. het zijn niet de slechtste vruchten waaraan de wespen knagen (=over goede mensen worden vaak onaardige dingen verteld)
  21. iemand niet kunnen luchten of zien (=een hekel aan iemand hebben)
  22. in de lucht hangen (=dreigen te gebeuren - onzeker zijn)
  23. in de lucht laten vliegen (=laten ontploffen)
  24. in de lucht zitten (=algemeen voorkomen)
  25. in een vloek en een zucht (=in heel korte tijd , zonder moeite)
  26. je hart luchten (=iemand over je problemen vertellen)
  27. kastelen in de lucht bouwen (=zich illusies maken)
  28. luchtkastelen bouwen (=zich illusies maken)
  29. om een luchtje gaan (=dood gaan)
  30. onder het juk zuchten (=onderworpen zijn)
  31. ook de beste boom geeft slechte vruchten (=zelfs goede ouders kunnen kinderen hebben die het verkeerde pad inslaan.)
  32. uit de lucht gegrepen (=uit het niets gegrepen, zonder enige grond)
  33. uit de lucht grijpen (=iets zonder enige grond vertellen)
  34. uit de lucht komen vallen (=doen alsof men van niets weet / erg plotseling en onverwacht)
  35. voor geen klein geruchtje vervaard (=niet gauw bang)
  36. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  37. zo vrij als een vogeltje in de lucht (=alles kunnen doen en laten wat iemand wil)

25 betekenissen bevatten `uch`

  1. naar zijn hielen omzien (=aan vluchten denken)
  2. het achter de ellebogen hebben (=achterbaks; zonder zijn zelfzuchtige bedoelingen te laten zien)
  3. bekend staan als de bonte hond met de blauwe staart (=berucht)
  4. bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. (=bij gemis aan het gewone moet men zijn toevlucht soms wel tot iets duurders nemen.)
  5. op de boom verkopen (=boomvruchten verkopen voor ze geplukt zijn)
  6. dat is van de Chinese kerk. (=dat is een gerucht.)
  7. de vogel is gevlogen (=de dader is al weg (of gevlucht))
  8. de oren wassen (=duchtig ervan langs geven, de waarheid zeggen)
  9. een pak van het hart (=een grote opluchting)
  10. het hazenpad (ver)kiezen (=er vandoor gaan of vluchten)
  11. waar de klok luidt, daar is een kapel. (=geruchten hebben vaak een kern van waarheid)
  12. wat baten kaars en bril als de uil niet zien en lezen wil (=het is vruchteloos iemand te willen voorlichten als hij dat niet wil)
  13. onder de blauwe/blote hemel (=in open lucht)
  14. zonder mijn en dijn zou de wereld hemels zijn (=jaloezie en hebzucht maken de wereld een stuk minder fraai)
  15. avondrood, mooi weer aan boord (=na een rode avondlucht volgt mooi weer)
  16. vijgenbladen zoeken (=nietige uitvluchten zoeken)
  17. uit de koets vallen (=ontnuchterd worden)
  18. in een geur van heiligheid (=uiterst godvruchtig)
  19. dode honden bijten niet (al zien ze lelijk) (=van doden is geen gevaar te duchten)
  20. het vege lijf redden (=vluchten, er snel vandoor gaan)
  21. een rollende steen vergaart geen mos. (=voortdurende verandering werpen vaak geen vruchten af)
  22. waar rook is is vuur (=waar geruchten over wangedrag zijn, zal er ook wel iets mis zijn)
  23. de kleintjes vallen niet groot (=wordt gezegd als eerder kleine vruchten verkocht worden)
  24. iedere stuiver brengt zijn gierigheid mee. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn)
  25. ieder oortje brengt zijn gierigheid. (=zelfs om kleine dingetjes kunnen mensen hebzuchtig zijn (een oortje is een oude munteenheid))

17 dialectgezegden bevatten `uch`

  1. asje 'n ków wiltj mêlleke, mójjen uch bukke (=daar moet je iets voor over hebben) (Weerts)
  2. Azje ' n ków wiltj mêlleke mójjen uch bukke (=Je krijgt iets niet cadeau) (Weerts)
  3. det dánktj uch de koekoek (=dat is nogal logisch) (Weerts)
  4. gae motj uch neet te völ meine (=doe maar gewoon) (Weerts)
  5. gae mótj uch wieëte te behelpe in eur êrremooj, ânges zeejje neet waert dejje ze hetj (=tevreden zijn met wat je hebt) (Weerts)
  6. Gedraagtj uch fatsoenlik en zoeë neet...haodj 't den plezerig! (=Gedraag u fatsoenlijk en zo niet...houdt het dan plezierig!) (Kinroois)
  7. Had uch (=Tot ziens) (Riemsts)
  8. haosj uch mer neet, 't börtj nog nerges (=doe maar rustig aan, haast je maar niet) (Weerts)
  9. ich haai uch zeen lopen (=ik had jou zien lopen) (Limburgs)
  10. ich kin uch, mer kân uch neet toês brînge (=iemand herkennen, maar niet weten hoe iemand heet) (Weerts)
  11. ich pis uch overhoûp met de gûlp tôw en windj tege (=je bent een watje) (Weerts)
  12. Stroont wie hit uch geschete (=Tegen iemand die zich voornamer voordoet dan) (Zurriks)
  13. vanaovundj den aovundj en merge den daag, det ich uch dit ...... gaeve maag (=patroonsfeest) (Weerts)
  14. vreetj uch 'ne hei-jbeesum (=barst toch!) (Weerts)
  15. waat tûnktj d'r uch van (=iemand om zijn mening vragen) (Weerts)
  16. Wiej kint ger uch zoo in de vaere zitte? (=Hoe kunnen jullie het zo oneens met elkaar zijn?) (Roermonds)
  17. zèt uch get, !! (=Gaat U maar zitten!!) (Steins)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen