Gezegden,

uitdrukkingen, gezegden en spreekswijzen

Zoek

9 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `potje`

  1. een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
  2. er een potje van maken (=er een janboel van maken)
  3. ergens een potje kunnen breken (=ergens graag gezien zijn)
  4. ergens een potje te vuur hebben staan (=ergens noch wat zeer ongunstigs te verwachten hebben)
  5. hij kan een potje bij hen breken (=van hem wordt veel getolereerd)
  6. in de kleinste potjes zit de beste pommade/zalf (=gezegd van uitzonderlijk kleine personen)
  7. Kleine potjes hebben grote oren (=je moet uitkijken met wat je zegt als er kinderen bij zijn)
  8. kleine potjes hebben ook oren (=ook kleine kinderen luisteren mee)
  9. op ieder potje past wel een dekseltje (=voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner)

Het dialectenwoordenboek kent 29 spreekwoorden met `potje`

  1. Weerts: Woeë hegke zeen, zeen auch mösse (=Kleine potjes hebben grote oren)
  2. Lichtervelds: tis potjebucht (=het is gepeupel)
  3. Munsterbilzen - Minsters: e bumpke kaote (=een potje 'kwajongen')
  4. Waalwijks: begaoje (=er een potje van maken)
  5. West-Vlaams: ip elk potje past er 'n ulleke (=op ieder potje past een deksel)
  6. Veurns: kleeëne potjes èn grooët’ ooër’n (=kinderen horen alles)
  7. Izegems: potje breekn potje betoaln (=wie schade berokkent, moet het vergoeden)
  8. Zeeuws: flienk deur de hort roeren (=er een potje vanmaken)
  9. Vilvoords: e poike noikes (=een potje nootjes)
  10. Munsterbilzen - Minsters: alles drèdde èn de puree (=de kok maakte er een potje van)
  11. Twents: 'n löagke op 'n balg kriegn (=een potje klappen krijgen)
  12. Iepers: potje breekn, potje betaoln (=de gevolgen van iets dragen)
  13. Kaatsheuvels: een potje kwekke (=een liedje zingen)
  14. Iepers: potje brik, potje betoaln (=de gevolgen van iets dragen)
  15. Tilburgs: ieder pruufke heej zun èège smòkske (=op elk potje past een dekseltje)
  16. Veurns: potje brikt, potje betaaalt (=wie schade berokkent, moet voor de kosten vergoeden)
  17. Walshoutems: allel e pueteke huutkees bij de bienoor hoale (=Vlug een potje hoofdkaas bij de beenhouwer halen)
  18. Kaatsheuvels: un potje jaanke (=een beetje huilen)
  19. Genneps: zo vol als un potje mit piere (=tjok-, bom-, eivol)
  20. Veurns: Da was e potje teet'n, zeg! (=Dat was nogal wat!)
  21. Westerkwartiers: doar stijt nog 'n potje op 't vuur (=daar worden nog plannen uitgebroed)
  22. Sint-Niklaas: op ieder potje past e schilken (=iedereen vindt wel iemand om mee te trouwen)
  23. Sallands: Een fraue hef zolt water uut de kettel in 'n bäkkie of pöttie edaone. (=Een vrouw heeft zout water uit de ketel in een bakje of potje gedaan.)
  24. Gronings: Mien't zoit d'r oet as dei van oin potje (=Een kale hebben)
  25. Westerkwartiers: hij ken 'n potje breek'n (=hij heeft wat krediet opgebouwd)
  26. Westerkwartiers: hij zit zo vol as 'n potje met peer'n (=hij heeft te veel gegeten)
  27. Oudenbosch: luste/motte gij un potje bier jong? (=heb je trek in een biertje ? (sic))
  28. Oudenbosch: daor kunde gij gewoon mee praote ennun potje bier mee drienke (=helemaal niet vreemd hoewel van ver komend)
  29. Lommels: In e pej'e liep e pjej'e mè e vuij'e an ze pjui'e en e puij'e an ze stje'e. (=In een paadje liep een paardje met een vodje aan zijn pootje en een potje aan zijn staartje.)

Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook: Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlanse vertalingen