Spreekwoorden met `pech`

Zoek

Eén spreekwoord bevat `pech`

  1. een pechvogel (=iemand die steeds tegenslag heeft)

2 betekenissen bevatten `pech`

  1. op de magerste paarden bijten de dazen. (=arme mensen hebben vaak pech)
  2. lelijk ten haring gevaren zijn (=zwaar pech hebben)

23 dialectgezegden bevatten `pech`

  1. as dit neet good is lègks se d’r de kop mer bie neer (=als je dit niet lust dan heb je pech) (Heitsers)
  2. Da is tegen ur lip. (=Dat is pech hè.) (Spalbeeks)
  3. dades tègenaa gat gesnieft (=Dat is dikke pech hé) (Leuvens)
  4. das vër daud te valle, -terdievel ès ter mèt gemoeid -de makral zit trop (=daar krijg je wat van, dat is te veel pech in ééns) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. Dees reis höbs te pech (=Deze keer heb je pech) (Gelaens (Geleens))
  6. doa bisse mei bedeend (=daar heb je pech mee) (Kessels)
  7. ët aoën zënen tram hëbbe (=het zitten hebben, pech hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  8. ët zeel aonhëbbe (=pech hebben, het zitten hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. ge wur alt overreeen deur een strontkaar, nooit deur ne mercedes (=pech hebben) (Graauws)
  10. heer heet op unne aos gehouwe (=pech hebben) (Mestreechs)
  11. hij zit ien 't hoekje woar de klapp'n vaal'n (=de pech achtervolgt hem) (Westerkwartiers)
  12. ik staon mee mankemente (=ik word door pech opgehouden) (Oudenbosch)
  13. in twie grachtn tegelijk liuëpm (=veel pech hebben) (Kaprijks)
  14. Je hebt martelaruh en aposteluh (=De een heeft geluk, de ander pech / de een heeft de lusten, de ander de lasten /) (Utrechts)
  15. Je kunt het/dat (wel) op je buik schrijven/ Ik kan het /dat wel op mijn buik schrijven / (=Je kunt het vergeten / vergeet het maar / ergens naast grijpen. (bijv als je iets wilt kopen en dat net voor je neus weg is ) / pech hebben) (Utrechts)
  16. maleur hebbe (=pech hebben) (Genneps)
  17. se schoot mee eur tallongs vonde zulle en se sloeg eur knoessels omme (=pech) (Roeselaars)
  18. somers onweer, swinters kurkesaotie (=altijd pech) (oldebroeks)
  19. tés mich allemaol get, zaag Bt, en ze hoch twei jing on één Tt (=je kunt maar pech hebben!) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. tis oftur dun duvel mee speult (=pech op pech hebben) (Oudenbosch)
  21. z'ee brauk, z'ee stikken (=ze heeft (mechanische, bv. met auto) pech) (Wichels)
  22. zae es de siegaar (=zij heeft alle pech) (Wichels)
  23. Zich de bòks sjeure. (=Tegen de lamp lopen, pech hebben.) (Roermonds)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen