Spreekwoorden met `kenne`

Zoek

16 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `kenne`

  1. bij het scheiden van de markt leert men de kooplui kennen (=iemands ware karakter blijkt pas als het erop aankomt)
  2. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  3. door en door kennen (=precies weten hoe iemand is)
  4. geen a voor een b kennen (=erg dom zijn)
  5. het klappen van de zweep kennen (=precies weten hoe het eraan toegaat, ervaren zijn)
  6. het verschil tussen mijn en dijn niet kennen (=stelen)
  7. iemand van haver tot gort kennen (=iemands persoonlijkheid helemaal kennen)
  8. in nood leert men zijn vrienden kennen (=wanneer men in de problemen zit wordt duidelijk welke vrienden daadwerkelijk iets voor je willen betekenen)
  9. je laten kennen (=het (al te vroeg) opgeven)
  10. je niet laten kennen (=het niet te vlug opgeven)
  11. je pappenheimers kennen (=weten met wie men te maken heeft)
  12. kleur bekennen (=voor zijn standpunt uit moeten komen)
  13. met een kennersblik bekijken (=met kennis van zaken beoordelen)
  14. nieuwe bezems vegen schoon, maar oude bezems kennen alle hoeken en gaten (=nieuwe medewerkers (of: nieuwe leiders) pakken de zaken grondig aan, maar oude medewerkers (of: oude leiders) weten hoe het moet op grond van ervaring)
  15. op je duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
  16. te kennen geven (=laten verstaan)

22 betekenissen bevatten `kenne`

  1. dat is het geheim van de smid. (=dat specifieke kennis die alleen vakmensen kennen)
  2. de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
  3. heg noch steg weten (=ergens de omgeving totaal niet kennen)
  4. er heg noch steg weten (=ergens de weg niet kennen)
  5. er geen been in zien (=geen bezwaar onderkennen. Er niet voor terugschrikken)
  6. geen hart in het lijf hebben (=geen greintje medelijden kennen)
  7. op je duimpje kennen (=heel goed kennen, van buiten weten)
  8. struisvogelpolitiek (=het negeren of ontkennen van een probleem in de hoop dat het vanzelf verdwijnt.)
  9. de wijde wereld intrekken (=het verkennen van nieuwe plaatsen, ervaringen en mogelijkheden buiten het vertrouwde)
  10. hoe een dubbeltje rollen kan (=hoe iets een onverwacht verloop kan kennen)
  11. een zak zout met iemand gegeten hebben (=iemand al lang kennen)
  12. in zijn zak hebben (=iemand goed kennen, iets helemaal begrijpen, iets voor elkaar hebben)
  13. iemand van haver tot gort kennen (=iemands persoonlijkheid helemaal kennen)
  14. van Lillo komen (=je dom houden. Volgens de overlevering vindt dit gezegde zijn oorsprong in het (ontkennende) gedrag van de inwoners van Fort Lillo na een aan hen toegeschreven roofoverval op een boerderij te Waarde in 1579)
  15. zelfkennis is het begin van alle wijsheid (=men moet eerst zichzelf kennen om verdere kennis te kunnen verwerven)
  16. wat de boer niet kent, dat eet hij niet. (=mensen houden niet van (zijn bang voor) wat ze niet kennen.)
  17. op het zondaarsbankje zitten (=schuld bekennen)
  18. als een blinde over de kleuren oordelen (=spreken alsof men een kenner is, over iets waar men niets van weet)
  19. koffiedik kijken (=trachten het onbekende te kennen (de toekomst))
  20. de vlag voor iemand strijken (=voor iemand onderdoen, zijn meerdere erkennen)
  21. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  22. geen knip voor de neus waard zijn (=zijn vak niet kennen en er geen verstand van hebben)

29 dialectgezegden bevatten `kenne`

  1. Âhdsjes kenne nie jonglere. (=Jong geleerd is oud gedaan.) (Haags)
  2. auverluëpe (=polletikkers kènne dâ goe) (Dendermonds)
  3. Get ram van boete kènne (=Iets uit het hoofd kennen) (Sittards)
  4. Had het op je voorhoofd geschreuve had je ut niet kenne vergeten / Schrijf ut op je voorhoof da keje het nie vergete / (=Dan had je het op moeten schrijven, kon je het niet vergeten / schrijf het goed op, zo vergeet je het niet ! ( tis goed zo heb het vaak genoeg gezegd op te schrijven)) (Utrechts)
  5. Het un bietje mee mekaor kenne veine (=Het een beetje met elkaar kunnen vinden) (Valkenswaards)
  6. Hij heb 'n goed hart, maar ze motte het gekookt op z'n rug hange. Zo laag zodat de honde d'r bij kenne (=iemand niet aardig maar ook niet gemeen vinden) (Rotterdams)
  7. ich höb ’t mòtte kènne (=de nare gevolgen van iets dragen) (Steins)
  8. ik kenne 't ele mense niet (=ik ken die persoon helemaal niet) (Zwols)
  9. In de winterdag kenne ze raie over 'n panlat, en in de zeumerdag naggenies over drie bai ellef. (3x11 is een stevige houtmaat) (=Des winters komen ze rond van bijna niets, 's zomers bulken ze van het geld en kan er niets vanaf.) (Zaans)
  10. Je kenne 't mit 'n warreme pankoek belope. (=Het is vlakbij, om het hoekje van de deur.) (Zaans)
  11. je kenne 't mooi vertelle (=maak dát de kat wijs!) (Westfries)
  12. je kenne bedare docht ik zo. (=zeg, doe 's effe relaxed man!) (Westfries)
  13. je kenne bedare! (=doe 's rustig!) (Westfries)
  14. Je kenne d'r beter van piese as van 'n korsie brood. (=Thee, vruchtensap, frisdrank, bier, melk, water.) (Zaans)
  15. Je kenne je hemd erin verteren (=Jesus wàt lekker!) (Westfries)
  16. Je kenne je mond in de knoffel lulle, maer det hellupt niet (=Je kan kletsen wat je wil, maar dat helpt niet) (Zaans)
  17. Je kenne mit 'm / 'r voor de krame langs. (=Hij / zij is een keurige verschijning.) (Zaans)
  18. Je kenne van elleke skeet wel een donderslag make. (=Je kunt je overal wel over opwinden.) (Zaans)
  19. Je kenne weer een broek knippe (soms ok: 'n boerekiel). (=Er komt weer wat blauw in de lucht.) (Zaans)
  20. je leert nooit een krepelen kenne voort gasthuus brand. (=je leert geen kreupele kennen voor het ziekenhuis in brand staat) (Flakkees)
  21. jullie kenne ammekoar kuulen (=jullie zijn alletwee even gek.) (Volendams)
  22. kenne gij da effekes veur mè deun? (=Kun jij dat even voor mij doen?) (Brabants)
  23. kenne je wel fergete, juh.... (=dat gaat dus mooi niet door...) (Leewarders)
  24. sjokkelat (è stik) (=vraandrangk as ze nikker méigoën en ni kènne volge) (Dendermonds)
  25. ut innigste wat jou kenne is fan broad stront make (=voorkom zelfoverschatting) (Leewarders)
  26. voor de kraam om kenne (=Zeer goed gekleed gaan) (Westfries)
  27. Ze kenne beter over je lulle, als van je vreten. (=Roddelen) (Rotterdams)
  28. ze kenne mijn (=ze kennen me) (Amsterdams)
  29. ze kenne ut lazerus krijgen! (=zoek het maar uit!) (Westlands)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen