Spreekwoorden met `juist`

Zoek

3 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `juist`

  1. de juiste man op de juiste plaats zijn (=zeer geschikt zijn voor het werk)
  2. het juiste midden vinden (=een goed evenwicht vinden tussen twee tegengestelde aanpakken. Bijvoorbeeld, als het er om gaat hoeveel bevoegdheden de politie moet hebben om de rechtsstaat te handhaven)
  3. niet aan het juiste adres zijn (=iets aan de verkeerde persoon vragen)

18 betekenissen bevatten `juist`

  1. de barricades opgaan (=actie voeren om iets voor elkaar te krijgen of juist tegen te houden)
  2. de rechte man op de rechte plaats (=de juiste man voor de juiste taak)
  3. goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  4. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  5. met tijd en stond, gaat men de wereld rond. (=er is een juiste tijd is voor alles en sommige dingen hebben tijd nodig)
  6. het hoofd boven water houden (=financieel rondkomen, juist genoeg geld hebben om te kunnen leven)
  7. er klopt geen hout van (=het is geheel onjuist)
  8. er zit een luchtje aan (=het is niet juist, het klopt niet helemaal)
  9. er is maar een f in het abc (=het juiste midden vinden, is moeilijk)
  10. het klopt als een zwerende vinger (=het past goed; het is logisch; het is volkomen juist; er is niets tegen in te brengen. (Equivalent aan: het sluit als een bus.))
  11. het ijzer smeden als het heet is (=je moet op het juiste moment de kansen grijpen en dingen doen)
  12. precies in mijn straatje zijn (=me precies goed uitkomen op het juiste moment)
  13. een kind om een boodschap sturen. (=niet de juiste persoon iets op laten lossen)
  14. aan een goed kantoor zijn (=op de juiste plaats zijn)
  15. een lot uit de loterij trekken (=precies de juiste persoon of ding gevonden hebben wat er nodig was)
  16. een woord op zijn pas is een daalder waard (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  17. een woord op zijn pas is zo goed als geld in de tas (=spreken op het juiste ogenblik is waardevol)
  18. hoe later op de avond, hoe schoner volk. (=vriendelijke of juist schertsende verwelkoming van late bezoekers)

50 dialectgezegden bevatten `juist`

  1. 'k en èm zjuust mè ne schemel zien passeren (=ik geloof dat hij hier juist voorbij ging) (Sint-Niklaas)
  2. 't est er kluit op (=het is juist) (Wichels)
  3. 't moe gepast zijn (=het moet juist (correct) zijn) (Kaprijks)
  4. 't stik(kump) nie zoe na (='t moet niet heel juist zijn) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. 'tis nie suuste (=dat is niet juist) (Sint-Laureins)
  6. 'twaes ter klof op (=dat was er juist op) (Sint-Laureins)
  7. as g' over'n duvel sprikt, ziede zijne steïrt (=over iemand praten als hij juist aankomt) (Moes)
  8. as je 't over de duvel hemm'm, trap je 'm op zien steert (=men praat over iemand en juist dan komt die er aan) (Westerkwartiers)
  9. asge van den duvel sprekt, ziede zenne stieërt (=over iemand praten als hij er juist aankomt) (Meers)
  10. aste iëver den dievel kals, zieste zene stat (=We spraken juist over u en daar ben je) (Bilzers)
  11. aste van terdievel kals, zieste zëne stat (=we waren juist over die persoon aan 't praten) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. aste van tërdievel kals, zieste zënë stat (=wie we daar hebben (we hadden het juist nog over u) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. d'er klof op (=helemaal juist) (Kaprijks)
  14. d'es na 'tverskil van de differeensje (=Dat is nu juist het verschil.) (Ninoofs)
  15. d’er klof op zijn (=juist geraden) (Kaprijks)
  16. da klop asne zwaerende vinger (=helemaal juist) (Bilzers)
  17. da klop van geen kante (=dat is niet juist) (Bilzers)
  18. da klop waaj ne zwaerende vinger (=dat is heel juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. da klop waajne zwaerende vinger, alleen ët deed geen paajn (=dat is helemaal juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. da klopt as ne zwe-rende vienger (=het ontvangen bedrag is juist) (Oudenbosch)
  21. da klopt langs giën kaante (=dat is niet juist) (Antwerps)
  22. da klopt langst geen kanten (=dat is niet juist) (Sint-Niklaas)
  23. da-jist nauw krek (=dat is het nou juist) (Helmonds)
  24. daor eddum aon (=daar komt hij juist aan) (Oudenbosch)
  25. das boenk trop (=dat is helemaal juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. Das koaj zeggens (=Dat zou juist kunnen zijn) (Neerpelts)
  27. das krek et zelfste (=dat is juist hetzelfde) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. das ten haomël op te kop (=dat is heel juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. de hëbs de naogel op de kop geslaoge! (=dat heb je heel juist gezegd!) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. de hûbs toch altijd den dikste (=je praat juist zolang dat je toch weer gelijk krijgt) (Bilzers)
  31. De keutel bi'j 't goeie ende em-m (=Dat is juist) (Giethoorns)
  32. De keutel bi'j 't goeie ende.em-m (=Dat is juist) (Giethoorns)
  33. de mètskës blinke en de joengës stinke (of umgekeird ) (=meisjes zien er altijd verzorgder uit dan jongens (of is het juist andersom )) (Munsterbilzen - Minsters)
  34. de zitster boenk op (=dat is helemaal juist) (Bilzers)
  35. dès krèk wèk wo. (=dat is juist wat ik wilde.) (Tilburgs)
  36. Er is een hoek af (=Niet heel juist zijn) (Elspeet)
  37. es djust eweg (=Hij is juist weg) (Walshoutems)
  38. ët kimp zoe naa nie, assët mér klop (=juist is juist) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. ge hebt moar te spreken en uwe mond goat open. dat wordt geegd op altijd dezelfde aangename toon. (=je hebt veel goesting om bepaald voedsel vb mosselen met frieten. je komt thuis en je mama is dat juist aan het koken dan zegt ze) (Antwerps)
  40. ge meug gerus (t) zijn (=wat je daarnet zei is juist / terecht) (Waregems)
  41. ge zijt er boenk op (=juist geraden) (Kaprijks)
  42. gelegen kommen (=ergens welkom zijn, van pas komen, we hebben je juist nodig) (Sint-Niklaas)
  43. het is beniest (=het is juist) (Zandhovens)
  44. het zal afkrapsel van muggepeutjes zen (=een mengeling waarvan men de samenstelling niet juist weet) (Ransts)
  45. ich ho (ch) zjus mene rég gedraed (=ik had me juist omgekeerd) (Bilzers)
  46. ier makeerdiets (=hier is iets niet juist (niet pluis) ) (Sint-Niklaas)
  47. ij zit er klof op (=hij heeft het juist geraden) (Kaprijks)
  48. je vangt ze, tis nen olve gedraojdn (=hij is niet helemaal juist) (kortemarks)
  49. jènèt, dè mèndenik ôok. (=juist ja, dat dacht ik ook) (Tilburgs)
  50. jn orloozje lopt up soldaoteknoopn (=je uurwerk loopt niet juist) (kortemarks)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen