25 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `dig`
- beter onbegonnen dan ongeeindigd (=beter niet beginnen als men het niet kan afwerken)
- broodnodig (=onmisbaar)
- de aanval is de beste verdediging (=je kunt in een strijd of ruzie beter zelf actie ondernemen dan afwachten)
- de gestadige jager wint (=regelmatig doorzetten geeft het beste resultaat)
- de lijdensbeker tot de bodem ledigen (=al het slechte, tot het laatste toe, over zich heen krijgen)
- de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
- de tafel de nodige eer bewijzen. (=smakelijk gaan eten.)
- een aardige stuiver/duit (=een mooi kapitaal)
- een goed verstaander heeft maar een half woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
- een harde knoest heeft een scherpe bijl nodig (=een slechte gewoonte is moeilijk te verdringen)
- geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
- gezegende omstandigheden (=in verwachting)
- het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kunnen geven)
- iets beneden zijn waardigheid achten (=iets niet willen doen omdat men vindt dat men een betere taak waard is)
- iets prediken/verkondigen (=iets luid, voor iedereen, verkondigen)
- kort en bondig (=snel en duidelijk)
- ledigheid is des duivels oorkussen (=niets te doen hebben leidt tot misdaden)
- nijdig als een spin (=bijzonder nijdig)
- op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe)
- papier is geduldig (=men kan veel schrijven)
- voor de drang der omstandigheden zwichten (=zich naar de omstandigheden schikken)
- vroeger, toen kraaiden de hanen nog. Tegenwoordig gapen ze alleen nog maar, zei de dove (=veranderingen in een situatie zijn vaak niet feitelijk, maar een subjectieve beleving)
- wie eten wil moet de kok niet beledigen. (=hou je meerdere te vriend.)
- witte paarden hebben veel stro nodig (=pronkzieke vrouwen kosten veel geld)
- zo onschuldig als een pasgeboren kind (=zeer onschuldig)
254 betekenissen bevatten `dig`
- in de schoenen schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
- bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
- iemand het hof maken (=aardig tegen iemand doen in de hoop aardig gevonden te worden)
- al te wit is gauw vuil. (=al te grote liefde is niet bestendig)
- zonder geluk vaart niemand wel (=alleen met hard werken komt men er niet, ook een beetje geluk is nodig om ergens te komen)
- als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals het gaat (=als de ideale situatie niet haalbaar is, moet je je aanpassen aan de omstandigheden.)
- als het voeten heeft (=als de omstandigheden gunstig zijn)
- de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en vertrekken)
- zitten alsof men een luis in zijn oor heeft (=alsof hij door zijn geweten beschuldigd wordt)
- altijd de kwade pier zijn (=altijd als de schuldige aangewezen worden)
- je bent om op te eten (met boter en suiker). (=beeldig, snoezig, hartveroverend, snoeperig.)
- aan elkaar gewaagd zijn (=beiden vrijwel evenwaardig zijn)
- eer is teer (=beledigd worden doet pijn)
- op je tenen getrapt zijn (=beledigd zijn)
- op je achterste zolder jagen (=beledigen, bang maken)
- er voor gaan (=besluiten aan een onzekere onderneming te beginnen en zich er volledig voor in te zetten)
- nood breekt wet (=bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd)
- nijdig als een spin (=bijzonder nijdig)
- volgens Bartjens (=de allereenvoudigste rekenstof (als referentie aan onderwijzer Willem Bartjens die een bekend rekenboekje schreef))
- de bazuin steken (=de lof verkondigen)
- de wind waait uit een andere hoek (=de meningen/omstandigheden zijn veranderd)
- fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
- de kaart van het land kennen (=de omstandigheden kennen)
- de bordjes zijn verhangen (=de omstandigheden zijn veranderd)
- op de pianist schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) straffen)
- de mug uitzuigen en de kameel doorzwelgen (=de onschuldige straffen en zelf schaamteloos zondigen)
- de kwaaie pier (=de schuldige)
- de dader ligt op het kerkhof (=de schuldige is niet te vinden)
- de bijl ligt al aan de wortel (=de straf zal spoedig volgen)
- de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
- de oude adam (=de zondige natuur (aard))
- scherven brengen geluk. (=dit zeg je om iemand zich minder schuldig te laten voelen)
- recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
- een dronken vrouw is een engel in bed (=drank draagt bij aan het beëindigen van de tegenstand)
- de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
- meisjes die bloemen dragen, mag je kussen zonder te vragen (=een aanmoediging om meisjes met bloemen te kussen)
- de pot verwijt de ketel dat die zwart ziet (=een ander aanwijzen als schuldige, terwijl die zelf hetzelfde gedaan heeft)
- een blind paard zou er geen schade doen (=een armoedig interieur)
- paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
- een te grote broek aantrekken (=een doel stellen waarvoor je niet de benodigde middelen hebt)
- voor het inkoppen hebben (=een eenvoudige kans om in een discussie een punt te maken dankzij een voorzet van een ander)
- boontjes uit water eten. (=een eenvoudige maaltijd.)
- een fluitje van een cent (=een eenvoudige taak)
- onder het mes zitten (=een examen hebben, in angstige omstandigheden zitten)
- tussen beurs en geweten geplaatst zijn (=een financieel goede - maar misdadige - zaak kunnen doen)
- een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
- een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
- een dijk van een baan (=een geweldige baan)
- een slimme vogel (=een handig persoon met overal een oplossing voor)
- het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
8 dialectgezegden bevatten `dig`
- dè hült dig aan 't lientshe (=zich niet uitspreken) (Opglabbeeks)
- dig menteneren. (WT) (=Voor je zelf opkomen) (Mechels (NL))
- doë bèste nog nie mèt vië (r) dig (=dat zal nog hard werken zijn!) (Munsterbilzen - Minsters)
- hod dig (=tot ziens) (Opglabbeeks)
- ich geluif dig veur gein vief cent (=ik geloof je voor geen cent) (Berg en Terblijts)
- Ig zal dig ins moris liere. (WT) (=Ik zal je eens de les leren) (Mechels (NL))
- nieks is zoe sjoen es dig mie lekker deenk (=niets is zo mooi als jij men lekkerding) (Bilzers)
- Vang dig un hoon. (WT) (=Dat doe ik niet) (Mechels (NL))
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen