Spreekwoorden met `aan de`

Zoek


113 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `aan de`

  1. aan de balk schrijven (=nota nemen van iets ongewoons)
  2. aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt)
  3. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  4. aan de beterende hand zijn (=langzaam genezen, herstellen)
  5. aan de beterhand (=genezend, herstellend)
  6. aan de boemel zijn (=fuiven)
  7. aan de dag leggen (=vertonen)
  8. aan de degen rijgen (=tot (zwaar) verliezer maken)
  9. aan de dijk zetten (=ontslaan)
  10. aan de draai houden (=bezig houden)
  11. aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=evenwicht is voornaamst)
  12. aan de fep zijn (=(overmatig) drinken)
  13. aan de galg komen (=ter dood veroordeeld worden)
  14. aan de groene tafel zitten (=bestuurslid zijn)
  15. aan de grond zitten (=bankroet of totaal uitgeput zijn)
  16. aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
  17. aan de haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
  18. aan de hand doen (=bezorgen)
  19. aan de hand van (=door middel van)
  20. aan de heidenen overgeleverd (=in zware moeilijkheden - in de macht van mensen zonder scrupules)
  21. aan de kwakkel zijn (=last hebben van de gezondheid)
  22. aan de latten hangen (=ermee ophouden - bijna bankroet zijn)
  23. aan de leiband lopen (=erg volgzaam zijn)
  24. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  25. aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
  26. aan de man brengen/helpen (=verkopen)
  27. aan de middelhand zitten (=niet eerst of laatst moeten spelen)
  28. aan de orde van de dag zijn (=vaak voorkomen)
  29. aan de pan blijven hangen/kleven (=zich om bestwil ergens mee bemoeien maar er slecht afkomen)
  30. aan de pan gelikt hebben (=slecht terechtkomen of veel schade hebben)
  31. aan de pimpel zijn (=sterkedrank drinken)
  32. aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
  33. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  34. aan de rem trekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
  35. aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  36. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  37. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  38. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  39. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  40. aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
  41. aan de veren kent men de vogel (=aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt)
  42. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  43. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  44. aan de voorhand zijn/zitten (=voorrang hebben)
  45. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  46. aan de weg timmeren (=veel activiteiten ontplooien en daarmee naar buiten treden om verandering en vernieuwing te bewerkstelligen)
  47. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje leiden)
  48. aan de zwier zijn (=uitgaan, drinken)
  49. alle hens aan dek (=met alle beschikbare mensen of alle middelen)
  50. als aan de grond genageld staan (=perplex staan)

42 betekenissen bevatten `aan de`

  1. op kop staan (=aan de leiding staan)
  2. op het kussen helpen (=aan de macht helpen)
  3. op het kussen zitten (=aan de macht zijn)
  4. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  5. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden /  beloven, maar steeds weer uitstellen)
  6. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  7. in hetzelfde gasthuis ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
  8. als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals het gaat (=als de ideale situatie niet haalbaar is, moet je je aanpassen aan de omstandigheden.)
  9. kalmte zal je redden (=als je rustig blijft gaan de dingen beter)
  10. dat is zo breed als het lang is (=dat verandert niets aan de zaak)
  11. jezelf op de borst slaan (=duidelijk aan de omgeving laten weten dat men ergens bijzonder trots op is)
  12. aan de bel trekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  13. sanitaire stop (=een bezoek aan de W.C)
  14. er schuilt iets achter (=er is meer aan de hand dan op het eerste gezicht lijkt.)
  15. er is geen vuiltje aan de lucht (=er is niets aan de hand)
  16. er werk van maken (=er mee aan de gang gaan)
  17. uit het oog verliezen (=er niet meer aan denken)
  18. er part noch deel aan hebben (=er niets van weten of niet aan deelgenomen hebben)
  19. het is niet koek en ei (=er ontbreekt iets aan de situatie)
  20. te binnen schieten (=er plots aan denken)
  21. voor ogen (=er steeds weer aan denken)
  22. zo dood als een pier (=geheel en al dood, als een aardworm die slap aan de hengel hangt)
  23. in koelen bloede iets doen (=geheel kalm en rustig iets doen, alsof er niets aan de hand is)
  24. bij kleine lapjes leert men de hond leer eten. (=geleidelijk aan wen je zelfs aan de onmogelijkste dingen.)
  25. wie het eerst komt, het eerst maalt (=het wordt toegekend aan degene(n) die het eerst komt)
  26. niet aan het juiste adres zijn (=iets aan de verkeerde persoon vragen)
  27. iets aan de knikker zijn (=iets niet in orde of aan de hand zijn)
  28. pas uit de dop komen (=maar pas ergens aan deelnemen)
  29. als het tij verloopt verzet men de bakens (=men moet zich aan de omstandigheden aanpassen)
  30. door het ijs zakken (=niet aan de verwachtingen voldoen.)
  31. boven de wet staan (=niet gebonden zijn aan de wet)
  32. het bier is niet voor de ganzen gebrouwen. (=niet iets verspillen aan degenen die het niet waarderen)
  33. geen wolkje aan de lucht (=niets aan de hand - alles is prima in orde)
  34. pal staan (=onbeweeglijk stilstaan / niet twijfelen aan de eigen mening)
  35. oude paarden jaagt men achter de schans (=oudere werknemers worden soms aan de kant gezet)
  36. van de wieg tot aan het graf (=van de geboorte tot aan de dood)
  37. adel verplicht (=wie in aanzien bij het volk staat, moet ook aan de verwachtingen van het volk voldoen)
  38. wie niet horen wil, moet voelen (=wie niet luistert naar wijze raad, of wie ongehoorzaam is, zal de gevolgen wel aan den lijve ondervinden)
  39. het fijne ervan willen weten (=willen weten wat er precies aan de hand is)
  40. het hachje erbij inschieten (=zelf sterven aan de gevolgen van een actie)
  41. onder en boven de wet zijn (=zich niet aan de regels hoeven te houden)
  42. roomser dan de paus zijn (=zich overdreven precies aan de regels houden)

50 dialectgezegden bevatten `aan de`

  1. ` 't zal d'r aan ligke wi-j 't veltj` zag de bezeuker wi-j ze 'm vrooge um te bliêve aete en hae keek nao de dröppel aan de vrouw eur naas (=niet meteen toehappen, een slag om de arm houden) (Weerts)
  2. 'k ben aan de rees / schait (=Ik heb diarree) (Hendrik-Ido-Ambachts)
  3. 'k ben doamee niks vernoadert (=dat zet geen zoden aan de dijk) (denderleeuws)
  4. 'k ga ff de vullis (of kliko) aan de dijk zetten (=Ik ga even de vuilnis aan de weg zetten) (Lopiks)
  5. 'n kers opstaeke vör d'n duûvel (=aan de verkeerde persoon eer bewijzen) (Weerts)
  6. 'n pisboodschapke doen (=een boodschap doen om iets anders aan de weet te komen) (Westerkwartiers)
  7. 'ne aezel haat neet ummer lang oere (=aan de buitenkant is niet te zien of iemand dom is) (wijlres)
  8. 't blaataas (=voormalig Tiens Liberaal café gelegen aan de Hennemarkt) (Tiens)
  9. 't houdt aan de rebben (=degelijke kost) (Werviks)
  10. 't Is leg en kriegweer (=Het is boter aan de galg, het geeft niks) (Giethoorns)
  11. 't is vanstei; 't is opzij (=het is aan de zijkant) (Sint-Niklaas)
  12. 't lijt altied an 'e scheuvels, nooit an 'e scheuvellober (=het verliezen ligt nooit aan de verliezer) (Westerkwartiers)
  13. 't zitj op zè gat (=aan de grond fig.: het is mislukt) (Meers)
  14. à geen zie-j (=aan de andere kant) (Heerlens)
  15. à gen zie-j (=aan de kant) (Heerlens)
  16. aan de achterste mem hange (=er niet bij horen) (Weerts)
  17. aan de boemel (=Boemelen) (Bargoens)
  18. aan de dunne zien, slingerschiet hebbe, aan de reeskak (=Buikloop hebben) (Venloos)
  19. aan de dunne zijn /racekak hebben/ aan de schijt zijn/ Buikloop hebben/ ziekte van le mans hebben (=Diarree hebben.) (Utrechts)
  20. aan de gallemieze liggen, Naar de gallemieze gaan (=Naar de klote gaan) (Amsterdams)
  21. aan de grode klok hang'n (=aan elk vertellen die het maar wil horen) (Westerkwartiers)
  22. aan de kant van pastoer drinke (=aan de goede kant van het kopje koffie / thee drinke) (Venloos)
  23. aan de kloten (=Naar de vaantjes) (Veurns)
  24. aan de maag eure kant drinke (=aan de verkeerde kant van het kopje koffie / thee drinken) (Venloos)
  25. aan de pan blijven hangen (=als laatste achter blijven) (Amsterdams)
  26. aan de pinjeir raigen (=iemand met een mes steken) (Heist-op-den-Berg)
  27. aan de sji-jt zeen (=Diarree hebben) (Brees)
  28. aan de sjiet zin (=aan de diarree zijn) (Gelaens (Geleens))
  29. aan de vaere kindje de vuuëgel (=De appel valt niet ver van de boom) (Weerts)
  30. aan de wiet komm'm (=iets via een omweg vernemen) (Westerkwartiers)
  31. ae wild'em nie voegen / zae wild'eur nie voegen (=hij / zij past zich niet goed aan de regels aan) (Wichels)
  32. al wat te klok slig (=aan de lopende band) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. altiëd aan de letste mem hange (=overal achteraan lopen (figuurlijk) ) (Venloos)
  34. án de gunne kânt (=aan de andere kant) (Horster)
  35. an de vrucht'n kenst doe de boom (=aan de resultaten kent men de mensen) (Westerkwartiers)
  36. Ane ginne kantj (=aan de andere zijde) (Hunsels)
  37. aoën den aaterkant van piëd en de viërkant van vrolaaj moeste vërzichtëg zin (=opgepast als je aan de achterkant van paarden of de voorkant van meisjes zit) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. aoên en aoên (=aan de lopende band) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. aon ginne kaant (=aan de overkant) (Nieuwkuijks)
  40. as de nood aan de man komt (=als de nood zich aandient) (Westerkwartiers)
  41. as slimmeke doeëd is meegde goa tzoan (=je komt niet aan de beurt) (Booms)
  42. assët aoën dich ès, höbsët zitte (=als je het aan de hand hebt, heb je het zitten) (Munsterbilzen - Minsters)
  43. Aste onder de pinnekesdroëd dürkrups, moeste oplette vür de stroom en de pinnekes (=het gras aan de overkant is altijd groener) (Bilzers)
  44. aug a vast on de takker'n van de buëm'n (=hou je vast aan de takken van de bomen) (Meers)
  45. autbemmele (=aan de grote klok hangen) (Bilzers)
  46. Baa tjoste bjompke droaëm vrum (=aan de eerste boom draaide hij terug) (Hulshouts)
  47. Baontjusvollek (=Bewoners aan de Dorpstraat) (`t-Heikes)
  48. Beej Bierstekers van de schöp springe (=aan de dood ontsnappen) (Venloos)
  49. d' Endeklokke luit (=Er is iemand gstorven (te horen aan de klok op de kerk) ) (Avelgems)
  50. D'r goat d'r meer dood an 'n draank as van 'n döst (=Er sterven meer mensen aan de drank dan van de dorst) (Twents)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen