Spreekwoorden met `snel`

Zoek

7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` snel`

  1. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt haar wel (=leugens komen altijd uit)
  2. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  3. de tijd is snel, gebruikt hem wel. (=verspil geen tijd aan onbelangrijke dingen)
  4. de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
  5. een morse muur is snel afgebroken (=een slechte zaak gaat niet lang mee)
  6. een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
  7. zo snel als het licht (=heel snel)

54 betekenissen bevatten ` snel`

  1. je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
  2. vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
  3. gereed geld dingt scherp. (=als je meteen betaalt gaat de verkoop sneller)
  4. wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
  5. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
  6. tijd heeft vleugels en geen teugels. (=de tijd gaat snel en is niet te beïnvloeden)
  7. de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
  8. hora ruit (=de tijd vliet snel)
  9. haast je langzaam (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het Latijn: Festina lente))
  10. goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
  11. ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
  12. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  13. een loden pijp hebben (=een hete vloeistof snel kunnen opdrinken)
  14. van praat komt praat (=een nieuwtje wordt snel verder verteld)
  15. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
  16. uit de grond stampen (=erg snel iets opbouwen)
  17. de pan uit vliegen (=erg snel stijgen (inz. gezegd over prijzen))
  18. een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
  19. zo snel als het licht (=heel snel)
  20. binnen de kortste keren (=heel snel, bijna onmiddellijk)
  21. het is geen aangenomen werk (=het hoeft niet noodzakelijk zo snel te gaan)
  22. niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
  23. een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel genoeg voorbij)
  24. het is maar een strovuurtje (=het ziet er erg uit, maar het is snel voorbij)
  25. vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
  26. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
  27. vaart achter iets zetten (=iets snel (doen) uitvoeren)
  28. gauw is dood en langzaam leeft nog. (=iets te snel doen is niet goed)
  29. haast en spoed is zelden goed (=iets te snel doen, resulteert vaak in iets dat slecht gedaan is)
  30. het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
  31. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  32. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  33. kleine potjes lopen gauw over. (=kleingeestige mensen zijn snel kwaad.)
  34. een ziekte komt te paard en gaat te voet (=men wordt snel ziek maar genezen duurt lang)
  35. het grootste mirakel duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
  36. een stadspraatje duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
  37. verkeren kunnen (=omstandigheden kunnen snel veranderen)
  38. kop over bol (=ondoordacht snel)
  39. hol over bol (=ondoordacht snel)
  40. hals over kop (=ondoordacht snel)
  41. kort en goed valt licht en zoet. (=pak dingen snel op en doe het goed)
  42. instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
  43. je pijlen verschieten (=te snel handelen)
  44. een haastige hond werpt blinde jongen. (=te snel of impulsief handelen heeft slechte gevolgen)
  45. er zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
  46. niet van gisteren zijn (=veel weten, veel begrijpen en snel doorhebben)
  47. het vege lijf redden (=vluchten, er snel vandoor gaan)
  48. vlugge eters zijn vlugge werkers. (=wie snel kan eten, kan ook snel werken.)
  49. rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
  50. hardlopers zijn doodlopers (=wie te snel begint, haalt misschien het einde niet)

5 dialectgezegden bevatten ` snel`

  1. 'n Kleen neuske ko'j gaauw snuutn (=Gering in aanzien, snel aftroeven) (Twents)
  2. Die gin met un sneltreinvaort voorbai (=Hij reed / liep / snel langs) (Utrechts)
  3. gaank in de bokse (hemmn) (=rennen, op een draf lopen, snel lopen) (Sallands)
  4. op e rappeke (=gehaast, rap, snel) (Meers)
  5. Râp van ton (=rad van tong (welbespraakt zijn / snel spreken / spraakwaterval)) (Utrechts)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen