7 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten ` snel`
- al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt haar wel (=leugens komen altijd uit)
- de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
- de tijd is snel, gebruikt hem wel. (=verspil geen tijd aan onbelangrijke dingen)
- de tijd vliet snel gebruik hem wel (=doe wat je moet doen, terwijl je nog kan)
- een morse muur is snel afgebroken (=een slechte zaak gaat niet lang mee)
- een paard dat eens op hol is geslagen, kan dat snel weer doen. (=een eens gemaakte fout, begaat men makkelijk weer)
- zo snel als het licht (=heel snel)
54 betekenissen bevatten ` snel`
- je vergalopperen (=al te snel iets willen doen)
- vele handen maken licht werk (=als een karwei samen wordt opgepakt is het snel en gemakkelijk gedaan)
- gereed geld dingt scherp. (=als je meteen betaalt gaat de verkoop sneller)
- wie hoog klimt kan laag vallen (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
- dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een traumatische ervaring))
- tijd heeft vleugels en geen teugels. (=de tijd gaat snel en is niet te beïnvloeden)
- de tijd kent geen genade (=de tijd gaat sneller voorbij dan je denkt)
- hora ruit (=de tijd vliet snel)
- haast je langzaam (=doe het zo snel mogelijk, maar niet sneller (uit het Latijn: Festina lente))
- goed gereedschap is het halve werk (=door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard)
- ondervinding is de beste leermeester (=door iets zelf mee te maken of te oefenen leert men het snelst)
- iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
- een loden pijp hebben (=een hete vloeistof snel kunnen opdrinken)
- van praat komt praat (=een nieuwtje wordt snel verder verteld)
- een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)
- uit de grond stampen (=erg snel iets opbouwen)
- de pan uit vliegen (=erg snel stijgen (inz. gezegd over prijzen))
- een fijne neus hebben (=gemakkelijk iets ontdekken, snel iets aanvoelen)
- zo snel als het licht (=heel snel)
- binnen de kortste keren (=heel snel, bijna onmiddellijk)
- het is geen aangenomen werk (=het hoeft niet noodzakelijk zo snel te gaan)
- niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
- een kort liedje is gauw gezongen (=het onaangename gaat snel genoeg voorbij)
- het is maar een strovuurtje (=het ziet er erg uit, maar het is snel voorbij)
- vol gas geven (=het zo snel mogelijk doen verlopen)
- als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen (=iemand die meer wil dan hij kan, maakt zich snel belachelijk)
- vaart achter iets zetten (=iets snel (doen) uitvoeren)
- gauw is dood en langzaam leeft nog. (=iets te snel doen is niet goed)
- haast en spoed is zelden goed (=iets te snel doen, resulteert vaak in iets dat slecht gedaan is)
- het zwaard van Damocles (=iets wat snel of ieder moment kan gebeuren)
- een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
- een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
- kleine potjes lopen gauw over. (=kleingeestige mensen zijn snel kwaad.)
- een ziekte komt te paard en gaat te voet (=men wordt snel ziek maar genezen duurt lang)
- het grootste mirakel duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
- een stadspraatje duurt maar drie dagen. (=mensen vergeten snel)
- verkeren kunnen (=omstandigheden kunnen snel veranderen)
- kop over bol (=ondoordacht snel)
- hol over bol (=ondoordacht snel)
- hals over kop (=ondoordacht snel)
- kort en goed valt licht en zoet. (=pak dingen snel op en doe het goed)
- instorten als een kaartenhuisje (=plots en snel in elkaar zakken, tenietgedaan worden)
- je pijlen verschieten (=te snel handelen)
- een haastige hond werpt blinde jongen. (=te snel of impulsief handelen heeft slechte gevolgen)
- er zijn tanden inzetten (=vasthoudend zijn, niet snel opgeven)
- niet van gisteren zijn (=veel weten, veel begrijpen en snel doorhebben)
- het vege lijf redden (=vluchten, er snel vandoor gaan)
- vlugge eters zijn vlugge werkers. (=wie snel kan eten, kan ook snel werken.)
- rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
- hardlopers zijn doodlopers (=wie te snel begint, haalt misschien het einde niet)
5 dialectgezegden bevatten ` snel`
- 'n Kleen neuske ko'j gaauw snuutn (=Gering in aanzien, snel aftroeven) (Twents)
- Die gin met un sneltreinvaort voorbai (=Hij reed / liep / snel langs) (Utrechts)
- gaank in de bokse (hemmn) (=rennen, op een draf lopen, snel lopen) (Sallands)
- op e rappeke (=gehaast, rap, snel) (Meers)
- Râp van ton (=rad van tong (welbespraakt zijn / snel spreken / spraakwaterval)) (Utrechts)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen