Spreekwoorden met `ra`

Zoek


431 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ra`

  1. met alle winden meedraaien (=altijd iedereen gelijk geven)
  2. met alle zonden van Israël beladen worden (=voor alles de schuld krijgen)
  3. met de Franse slag (=slordig, met weinig aandacht uitgevoerd)
  4. met de konijnen door de tralies kunnen eten (=zeer mager zijn)
  5. met de paarden van Sint Franciscus. (=te voet gaan)
  6. met de zweep erachter zitten (=opjagen)
  7. met een been in het graf staan (=bijna dood, ernstig ziek)
  8. met een hete aardappel in de keel praten (=op een bekakte manier praten)
  9. met één voet in het graf staan (=iemand gaat bijna dood)
  10. met hem kan men geen spies draaien (=met hem valt niet samen te werken)
  11. met twee monden praten (=jezelf tegenspreken in verschillende situaties, niet eerlijk zijn)
  12. met vragen komt men in Rome. (=wees niet bang om hulp te vragen)
  13. moord en brand schreeuwen (=uiterst verontwaardigd zijn)
  14. naar de bekende weg vragen (=vragen naar hetgeen men al weet / Overbodig handelen)
  15. naar de heilige graal streven (=iets willen bereiken wat niet te bereiken is)
  16. niet brandschoon zijn (=dingen misdaan hebben)
  17. niet graag in iemand schoenen staan (=niet graag willen ervaren hoe het is iemand anders te zijn die in een moeilijke of onprettige situatie zich bevindt)
  18. niet van het ene brood tot het andere weten te geraken (=niet rond kunnen komen)
  19. niet zuiver op de graat (=niet helemaal eerlijk)
  20. om de kracht van het anker te voelen moet men de storm trotseren (=pas als men iets ernstig meemaakt, weet men op wie men kan vertrouwen)
  21. onder de voet geraken (=uitgeput raken, ziek worden)
  22. onder de voet raken (=vallen)
  23. ongevraagd, ongeweigerd (=als je iets doet waarvoor geen toestemming is gevraagd kan het achteraf niet meer geweigerd worden omdat het al gebeurd is)
  24. oogkleppen dragen (=iets niet (willen) zien)
  25. ook een raspaard schijt als een karhengst. (=rangen en standen maken mensen niet meer of minder waard)
  26. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  27. op een kratje zitten als dat nodig is (=bereid zijn om je aan te passen aan minder luxe)
  28. op heterdaad betrappen (=betrappen tijdens de misdaad)
  29. op iemands tenen trappen (=iemand beledigen)
  30. op je tenen getrapt zijn (=beledigd zijn)
  31. op straat staan/zitten (=ontslagen zijn - geen onderdak meer hebben)
  32. over koetjes en kalfjes praten (=over allerlei onbelangrijke dingen praten)
  33. over land en zand praten (=over lichte onbeduidende dingen praten)
  34. overal zijn neus in steken (=zich overal mee bemoeien)
  35. overstag raken (=de wind van voren krijgen)
  36. paradepaard (=een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is)
  37. pimpelpaars met een goud randje (=met ondefinieerbare kleur)
  38. platvis eet je met de ramen open en rondvis met de ramen dicht (=m.a.w. platvis is een zomervis en rondvis is in de winter op z`n best)
  39. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  40. praten als Brugman (=gemakkelijk mensen kunnen overtuigen en vlot en boeiend kunnen vertellen)
  41. precies in mijn straatje zijn (=me precies goed uitkomen op het juiste moment)
  42. pro rata (=per evenredig deel) (Latijn)
  43. rad/rap van tong zijn (=snel praten / welbespraakt zijn)
  44. rap met de tanden, is rap met de handen. (=wie snel kan eten, kan snel werken.)
  45. rapen en schrapen (=geld bijeenbrengen)
  46. ratione officii (=ambtshalve) (Latijn)
  47. recht praten wat krom is (=door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien)
  48. recht voor zijn raap (=zonder omwegen gezegd)
  49. rouwranden aan zijn nagels hebben (=zwarte randjes onder vingernagels hebben)
  50. ruggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)

520 betekenissen bevatten `ra`

  1. geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
  2. het gelaat is de spiegel der ziel. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
  3. wie veel eist krijgt veel. Wie te veel eist krijgt niets (=je kan door het te vragen veel bij mensen gedaan krijgen, maar als je onredelijk wordt zal je worden overgeslagen)
  4. kallen is mallen maar doen is een ding (=je kan het beter doen dan er altijd maar over blijven praten)
  5. men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
  6. leringen wekken maar voorbeelden trekken (=je kan mensen iets willen leren , maar geef vooral het goede voorbeeld)
  7. je kent een vogel aan zijn veren (=je kent de mens aan zijn gedragingen)
  8. een goed pad krom loopt niet om. (=je kunt beter geen onnodige veranderingen aanbrengen)
  9. het is beter de bakkers te paard, als de dokters. (=je kunt beter voldoende en gezond eten, dan straks naar de dokter te moeten)
  10. blijf aan jouw kantje (=je mag hem niet aanraken, hij is niet aanspreekbaar)
  11. kijk een gegeven paard niet in de bek (=je mag niet klagen over de kwaliteit van iets dat men gratis krijgt)
  12. een goed hart is goud waard (=je treft niet snel meer mensen met een goed karakter)
  13. wat je van ver haalt is lekker. (=je waardeert dingen extra als je er veel werk voor moet doen)
  14. het zal je kind maar wezen (=je zal er maar voor op moeten draaien)
  15. wie kwaad doet, kwaad ontmoet. (=je zult gestraft worden voor slechte daden)
  16. een vuist maken (=krachtig opstellen)
  17. met de witte perdekies naar Velzeke rijden (=krankzinnig worden. In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de `witte perdekies` (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen)
  18. aan zijn trekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  19. de zon in het water kunnen zien schijnen (=kunnen verdragen dat een ander ook iets krijgt)
  20. overweg kunnen (=kunnen verdragen, aankunnen)
  21. iets niet met droge ogen kunnen aanzien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het zien gebeuren van iets)
  22. lange tenen hebben (=lichtgeraakt zijn)
  23. zo de abt, zo de monniken (=medewerkers gedragen zich net zoals hun leidinggevende)
  24. zo de heer, zo de knecht (=medewerkers gedragen zich net zoals hun leidinggevende)
  25. een streepje voor hebben (=meer mogen dan een ander, minder gauw straf krijgen)
  26. dat smaakt naar meer (=meer van dat, graag!)
  27. de haring hangt aan zijn eigen kieuwen (=men dient verantwoording te nemen voor de eigen daden)
  28. wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  29. de natuur gaat boven de leer (=men volgt eerder zijn karakter dan hetgeen men leert)
  30. geld dat stom is, maakt recht wat krom is (=mensen kunnen door financiële bevoordeling ertoe gebracht worden om onrecht toe te laten)
  31. horzels steken niet en hommels doden niet. (=mensen met een grote mond dragen het minste bij)
  32. de wereld wil bedrogen zijn. (=mensen trappen steeds weer in hetzelfde praatje)
  33. een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken (=mensen veranderen zelden echt)
  34. geen heilige zo klein of hij wil zijn kaarsje hebben. (=mensen vertellen graag wat voor goeds ze hebben gedaan)
  35. een Salomonsoordeel vellen (=met een heel vraagstuk een zeer wijze en goede beslissing nemen)
  36. er een punt aan kletsen (=met een praatje vergoelijken)
  37. met beide handen toegrijpen (=met graagte aanvaarden)
  38. de duivel op het kussen binden (=met iedereen raad weten)
  39. iemand in de boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
  40. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  41. praatjes vullen geen gaatjes (=met praten alleen komt men er niet, er moet ook wat gedaan worden)
  42. woorden zijn geen oorden (=met praten bereiken we niets)
  43. iets dat krom is recht proberen te praten (=met praten proberen een fout iets goeds te laten lijken)
  44. in grove lijnen (=met vooral aandacht voor de hoofdzaken)
  45. het eind zal de last dragen (=moeilijkheden en problemen komen vooral als het werk bijna af is)
  46. een ander liedje laten zingen (=mores leren, van gedacht doen veranderen)
  47. iemand gehoor geven (=naar iemand luisteren, gevolg geven aan zijn vraag)
  48. een roepende in de woestijn zijn (=niemand die naar je wil luisteren (bij raad/waarschuwingen))
  49. de handen thuis houden (=niet aanraken)
  50. het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen