Spreekwoorden met `on`

Zoek


584 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `on`

  1. er voor spek en bonen bij zitten (=er voor niets bijzitten)
  2. er was geen hond/kat/kip (=er was niemand)
  3. er zijn geen rozen zonder doornen (=bij elk geluk is er ook verdriet)
  4. er zijn meer hondjes die Fikkie heten (=er zijn meer mensen/etc. met dezelfde naam)
  5. er zijn mond niet aan vuil maken (=er niets over willen zeggen)
  6. er zonder kleerscheuren afkomen (=helemaal niets mankeren na een ongeluk)
  7. eten uit de korf zonder zorg (=geen zorgen meer hebben over zijn levensonderhoud)
  8. fris gewaagd is half gewonnen (=de moedigste heeft de meeste kansen om iets te winnen)
  9. gebraden duiven vliegen niemand in de mond (=je krijgt niets zomaar (zonder er enige moeite voor te doen))
  10. geduld is een schone zaak (=wie rustig afwacht wordt beloond)
  11. geen been aan de grond krijgen (=voorstel werd niet aangenomen)
  12. geen blad voor de mond nemen (=precies zeggen hoe er over iets gedacht wordt)
  13. geen bokkensprongen kunnen maken (=weinig geld hebben om extra dingen te kunnen kopen)
  14. geen dag zonder zorgen (=er is altijd wel iets om je zorgen over te maken.)
  15. geen erger venijn dan kwade tongen. (=er is niets zo erg als dat men kwaad van je spreekt.)
  16. geen geluk zonder druk. (=gelukkig wordt je niet zonder er moeite voor te doen)
  17. geen grond houden (=geen steek houden - niet correct zijn)
  18. geen groter venijn, dan vriend tonen en vijand zijn. (=iemands vertrouwen schaden is het gemeenste wat je kunt doen)
  19. geen katje om zonder handschoenen aan te pakken (=geen gemakkelijk persoon)
  20. geen koren zonder kaf (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)
  21. geen krieken zonder stenen. (=niemand is er perfect.)
  22. geen licht zonder schaduw (=tussen al het goeie zit altijd ook wel iets minder goeds)
  23. geen middel onbeproefd laten (=alles proberen om een doel te bereiken.)
  24. geen mond open doen (=niets zeggen)
  25. geen poot aan de grond kunnen krijgen (=geen schijn van kans blijken te hebben)
  26. geen rook zonder vuur (=er wordt niet over gepraat of er is wel iets van waar)
  27. geen schoner gewaad als een zedig gelaat. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
  28. geen slapende honden wakker maken (=beter niet over een bepaald onderwerp beginnen / aan mensen die ergens niets van weten en het er wellicht niet mee eens zijn, niets erover vertellen)
  29. geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
  30. geen vlees zonder been (=niets zonder gebreken)
  31. geld baart onrust. (=waar geld is onstaat vaak onenigheid)
  32. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  33. gewogen en te licht bevonden (=na onderzoek afgekeurd zijn)
  34. goed begonnen is half gewonnen (=wat niet aangevangen wordt komt ook nooit af. / Wanneer het begin van iets goed is, is de kans groter dat het goed eindigt)
  35. goed gereedschap hangt onder een afdak. (=ik ben wel te dik maar mijn ‘gereedschap` (de penis) werkt nog goed.)
  36. goed je mondje kunnen roeren (=er goed voor zorgen dat je mening wordt gehoord)
  37. goed van de tongriem gesneden (=gezegd van een vlotte prater)
  38. grote pronker, kale jonker. (=je voordoen als een rijk man terwijl je arm bent)
  39. heden in hoogheid verheven morgen onder de aarde (=vandaag nog heel belangrijk, maar morgen misschien al dood)
  40. herenzonden boerenleed. (=de gewone mensen boeten voor de fouten van de mensen met macht)
  41. het achterste van je tong (niet) laten zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
  42. het achtste wereldwonder (=een ongelooflijk prachtig iets)
  43. het bekomt hem als de hond de knuppel na het stelen van de worst (=het valt hem zwaar tegen)
  44. het buskruit niet uitgevonden hebben (=niet erg slim zijn)
  45. het dunkt elke uil dat zijn jong een valke is. (=iedereen is trots op zijn kinderen)
  46. het einde kroont het werk (=het werk is pas goed gedaan als het klaar is)
  47. het ene ongeluk kan niet op het andere wachten. (=ongeluk komt zelden alleen)
  48. het ene ongeluk roept het ander. (=ongeluk komt zelden alleen)
  49. het erg bont maken (=zich al te fel te buiten gaan)
  50. het grondsop is voor de goddelozen (=gezegd van iemand die het laatste restje uitdrinkt)

1039 betekenissen bevatten `on`

  1. onder de neus wrijven (=duidelijk zeggen wat er van gevonden wordt)
  2. de gekken krijgen de kaart (=dwaze en onverstandige mensen krijgen hun gelijk of ze dat hebben of niet)
  3. redenering van Jan Kalebas (=dwaze onlogische redenering)
  4. als niet komt tot iet dan is het allemans verdriet (=een `parvenu` heeft dikwijls kapsones)
  5. als niet komt tot iet kent iet zichzelf niet (=een `parvenu` heeft dikwijls kapsones)
  6. een boterham met tevredenheid (=een (droge) boterham (zonder beleg))
  7. in het zakje blazen (=een ademtest ondergaan)
  8. ambt geeft verstand. (=een baan gekregen hebben zonder er iets van af te weten)
  9. het beste paard van stal vergeten. (=een belangrijk persoon over het hoofd zien)
  10. een eed met boter bezegeld. (=een belofte zonder echte intentie om de belofte na te komen)
  11. iets in één adem uitlezen (=een boek waaraan je begonnen bent heel snel uitlezen, omdat je het zo spannend vindt)
  12. een schollekop (vissenkop) hebben (=een boeventronie hebben)
  13. een doos van Pandora zijn (=een bron van problemen, ellende, ziekte en misère zijn)
  14. uit de heup schieten (=een discussie ingaan met een ongenuanceerde argumentatie)
  15. een beerput opentrekken (=een geheim onthullen of schandalen blootleggen.)
  16. een klein lek doet een groot schip zinken (=een geringe onachtzaamheid kan tot grote schade leiden)
  17. een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  18. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  19. een krent (=een gierig persoon)
  20. het zeil (hoog) in de top halen (=een grootse vertoning weggeven)
  21. een bek als een hooischuur hebben (=een grote mond hebben)
  22. je sluis openzetten (=een grote mond zetten)
  23. een mond als een hooischuur (=een grote of erg brutale mond)
  24. grote parade en klein garnizoen (=een grote vertoning maar niet veel zaaks)
  25. eet vis, als er vis is. (=een gunstige gelegenheid moet men niet ongebruikt laten voorbijgaan.)
  26. een kring om de zon brengt water in de ton. (=een halo rond de zon voorspelt meestal regen)
  27. een slimme vogel (=een handig persoon met overal een oplossing voor)
  28. het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
  29. een heilig huisje (=een herberg - een (voor de betrokkene) onaantastbare waarheid)
  30. de hoofdvogel schieten (=een hoofdprijs winnen, maar vaak ironisch bedoeld. Letterlijk: de hoofdvogel is de hoofdprijs bij het vogelschieten)
  31. een veeg uit de pan krijgen (=een klap incasseren / op zijn donder krijgen / een standje krijgen)
  32. een tipje van de sluier oplichten (=een klein stukje van het onbekende onthullen)
  33. de bom is gebarsten (=een langdurige spanning of conflict is tot een uitbarsting gekomen)
  34. een aal bij de staart hebben (=een lastige taak ondernemen)
  35. een achterdeurtje (=een manier om iets te ontduiken)
  36. een heet hangijzer (=een moeilijk onderwerp waar veel discussie over bestaat)
  37. één uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit (=één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben)
  38. een zwaluw maakt de lente niet (=een omstandigheid laat nog geen eindconclusie toe)
  39. een lijk in de kast (=een onaangename erfenis)
  40. in de fout gaan (=een onaanvaardbaar of strafbaar feit begaan)
  41. op de koop toe nemen (=een onbedoeld gevolg accepteren)
  42. een ongelikte beer (=een onbeschofterik)
  43. aan de zwabber zijn (=een onbezorgd leventje leiden)
  44. tweede viool spelen (=een ondergeschikte rol spelen.)
  45. het sop is de kool niet waard (=een onderwerp is te onbelangrijk om er aandacht aan te geven)
  46. een speldje bij iets steken (=een onderwerp niet verder uitdiepen, van gespreksonderwerp veranderen)
  47. een zaak/kwestie aankaarten (=een onderwerp ter discussie brengen)
  48. een twistappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/onenigheid zijn)
  49. het achtste wereldwonder (=een ongelooflijk prachtig iets)
  50. een ongeluk komt te paard en gaat te voet (=een ongeluk is snel gebeurd, maar de gevolgen slepen lang aan)

50 dialectgezegden bevatten `on`

  1. on den toog blijve plekke (=op café blijven hangen) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. on dich ès geen eer te haole (=je bent niet fel dankbaar) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. on dich is gee vèt te krijge (=eet wat beter!) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. on ee zeel trèkke (=broederlijk samenwerken) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. on et einde van ze latijn zin (=alles al uitgeprobeerd hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. on gokke konste verslaof wiëne, wèdde op honned euro (=wedden dat gokken leidt tot verslaving) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. on hêl würke és nog niemed daud gegon, mér ich pak toch nie daaj riskaose (=Van werken sterf je niet, denk ik tenminste) (Bilzers)
  8. on iet verange zijn (=iets zeer graag lusten) (Meers)
  9. on klaogers gene naud (=klagers genoeg) (Bilzers)
  10. on klaogers gene naud (=iedereen heeft wel eens wat aan de hand) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. on koentses liggen (=op het kerkhof liggen) (Zottegems)
  12. on ne paereboom konste geen appele doen wasse (=hoe ga je een kind beter opvoeden als het niet wil) (Bilzers)
  13. òn un pèèp lörreke (=een pijp roken) (Tilburgs)
  14. on wae mankiërt niks? (=Geen koe zo bont of er is een vlekje aan) (Bilzers)
  15. on ze gerief koeëme (=zijn trekken komen) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. on zen aure trèkke (=vermanen) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. on zen dum hübbe (=het zitten hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. on zen in koëme (=sterven) (Munsterbilzen - Minsters)
  19. on zen vrèchte kinste de boom (=de appel valt niet ver van de boom) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. on zene kop tékke (=op je kop slaan) (Bilzers)
  21. op vekantse on de koot kërnisj, dat lik onder depannenoë Roendhauze (=thuis blijven van vakantie) (Munsterbilzen - Minsters)
  22. paajn on mën goesting (=geen zin) (Munsterbilzen - Minsters)
  23. pain on menne tieen (=pijn aan mijn teen) (Lummens)
  24. petj'n en met'n, sliepen ba ieën, ze trokken on makkander èrren dikken tieën. A zèi petj'n, B zëi metj'n.... (=Gedichtje: Peter en meter sliepen bijeen Ze trokken aan elkaars dikke teen ...) (Meers)
  25. polse (=on de zjië mè-j-â broek opgestrupt) (Dendermonds)
  26. réizendroëgers (='s anderendoëgs vâ Katouit on â déirmè-j-éir kollektebis) (Dendermonds)
  27. stroese kal on zich hëbbe (=gespierde taal spreken) (Munsterbilzen - Minsters)
  28. strond on de kerre (=er zijn problemen) (Zottegems)
  29. stront on de kèrre (=er zijn problemen) (Meers)
  30. t ès zjus n sjilderaaj, de kons ze zau on zene moer hange (=nog een kader errond en ge kunt ze als schilderij verkopen) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. t graos kan dan wol griener zin on den iëverkant, mér daaj moete der ook viël ver doen (=bij anderen is alles veel beter) (Bilzers)
  32. t wotter steed em tot on zen kin (=hoog tijd) (Bilzers)
  33. t'es on 't zuie! (=het kookt!) (Kortenbergs)
  34. t'es on ouer (=ik ben het beu) (Erps)
  35. tbrink geen iëd on den dijk (=dat is geen oplossing) (Bilzers)
  36. tés mich allemaol get, zaag Bt, en ze hoch twei jing on één Tt (=je kunt maar pech hebben!) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. tès mich ammel get (zaag Bet, en ze hoch twei jing on één T)! (='t kan niet op!) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. tès mich ammel get, zaag Bet, en ze hoch twei jing on één T...t (=ik zag een konijn met een hazelip) (Munsterbilzen - Minsters)
  39. tésmech ammel get, zaag Bet, en ze hoch twei jing on één... (=niet te doen!) (Bilzers)
  40. tgelèk hink on e zaaje drieëdsje (=geluk hangt van veel zaken af) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. tgroës és griener on den iëverkant, mér daaj moeten der ook viël vür doen (=aan de overkant is het gras wel groener, maar...) (Bilzers)
  42. Tiz on tjsakke (='t regent hard) (Temses)
  43. tkümp mich on naos en auren aut (=ik ben dat kostbeu) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. toen er gebèld wier, ston er zon klèèn klutje òn de deur meej kènderposzeegels. (=toen er aangebeld werd, stond er een kind aan de deur met kinderpostzegels.) (Tilburgs)
  45. Trekt dad agaa on (=Trek dit snel aan) (Antwerps)
  46. twatter steed em tot on zene mond (=dat wordt hoogdringend) (Munsterbilzen - Minsters)
  47. Twei és erger dan één, dan hübste get on zen been (=wat is er erger dan een vrouw?) (Munsterbilzen - Minsters)
  48. Ut ies unne naogel on munne doodskiest (=Het is een nagel aan mijn doodskist) (Dongens)
  49. van daaj kraaigichet on men hat (=ik krijg de zenuwen van haar) (Bilzers)
  50. vant puntsje van men naos, tot on menendikke tein (=van top tot teen) (Bilzers)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen