383 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `hebben`
- het gelijk van de vismarkt hebben (=iemand die (altijd) probeert men een grote mond zijn gelijk te krijgen)
- het gras in de knieën hebben (=lijden aan voorjaarsmoeheid)
- het hart op de goede plaats hebben (=een oprecht en menslievend karakter hebben)
- het hart op de lippen hebben (=over zijn emoties durven praten - alles zeggen wat men denkt)
- het hart op de rechte plaats hebben (=eerlijk zijn)
- het hart op de tong hebben. (=zeggen wat je er van vindt)
- het hebben over blauwe aardappelen en blauwe sokken (=zonder het aanvankelijk beseft te hebben over verschillende zaken spreken)
- het hoogste woord hebben (=baas zijn (of willen zijn))
- het in de ramen hebben (=het in de gaten hebben)
- het is muis als moer, een staart hebben ze allemaal. (=beide opties zijn vervelend)
- het kind moet (toch) een naam hebben (=passend of niet, je moet het kunnen noemen)
- het kruit niet uitgevonden hebben (=niet bijster slim zijn)
- het laatste woord willen hebben (=de baas willen zijn)
- het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
- het land hebben aan iets/iemand (=een hartgrondige afkeer hebben)
- het lood al in de bil hebben (=al gestraft zijn voor iets. (geschoten zijn met een loden kogel))
- het mag geen naam hebben (=het is onbetekenend (bijvoorbeeld een verwonding))
- het met iemand aan de stok hebben/krijgen (=ruzie met elkaar hebben/krijgen)
- het nakijken hebben (=te laat in actie zijn gekomen, een ander was je voor)
- het niet begrepen hebben op (=er geen zin in hebben - liever niet hebben)
- het niet meer hebben (=totaal in verwarring geraken - van de kook zijn)
- het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kunnen verdragen)
- het niet verzien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
- het op de heupen hebben (=slecht gehumeurd, op geestdriftige wijze iets doen, zenuwachtig, verstoord zijn)
- het op de lippen hebben (=het net willen zeggen)
- het op de zenuwen hebben (=zenuwachtig zijn)
- het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kunnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
- het op iemand gemunt hebben (=steeds dezelfde persoon die ergens last van heeft)
- het op iemand niet begrepen hebben (=iemand niet vertrouwen)
- het probleem onder de knie hebben (=het probleem is opgelost)
- het rijk alleen hebben (=doen en laten wat je wil)
- het roer in handen hebben (=leiding geven en door moeilijke tijden heen komen)
- het tiend betaald hebben (=erg afgevallen zijn)
- het verkorven hebben (=een slechte beurt gemaakt hebben bij iemand)
- het woord hebben (=in een gesprek aan beurt zijn)
- het zo druk hebben als een klein baasje (=veel kleine karweitjes moeten doen)
- het zo zout nog niet gegeten hebben (=het zo slecht nog nooit meegemaakt hebben)
- het zuur hebben (=er een hekel aan hebben)
- het zwart op wit hebben (=in geschreven of gedrukte vorm. Gedocumenteerd)
- het zwoerd/zwoord achter de oren hebben (=doof zijn)
- hoge nood hebben (=naar de wc moeten)
- honger als een paard hebben (=veel trek in eten hebben.)
- iemand aan het lijntje hebben (=meewerken met iemand)
- iemand aan het touw hebben (=over iemand de macht hebben)
- iemand op z`n hand hebben (=iemand hebben die hem steunt)
- iets aan het handje hebben (=een beetje verkering hebben)
- iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
- iets achter de knopen hebben (=iets is volbracht of voltooid)
- iets in de melk te brokken hebben (=invloed hebben)
- iets in de vingers hebben (=ergens ervaring en deskundigheid over hebben opgebouwd, waardoor men met grote kwaliteit en zonder fouten te maken, zich hiermee bezig kan houden)
373 betekenissen bevatten `hebben`
- er de boot mee ingaan (=iets hebben ondernomen, dat tot een totale mislukking heeft geleid)
- er zijn pink wel voor willen geven (=iets heel graag willen hebben)
- de overhand hebben (=iets is meer aanwezig dan het ander / meer invloed hebben)
- een kat in de zak kopen (=iets kopen zonder het gezien te hebben - bedrogen worden)
- een gevoelige snaar raken (=iets ligt erg gevoelig bij iemand, belangstelling hebben voor een bepaald onderwerp en iemand die dan aandacht heeft ervoor)
- een potje te vuur hebben staan (=iets onaangenaams te verwachten hebben)
- nog niet jarig zijn (=iets ongunstigs te verwachten hebben)
- tekortschieten (=iets onvoldoende hebben of kunnen doen)
- een ei in het nest laten (=iets op voorraad hebben)
- in een glazen huis wonen (=iets op zijn kerfstok hebben / geen privéleven hebben)
- iets onder de kurk hebben (=iets te drinken hebben)
- iets op het hart hebben (=iets te vertellen hebben)
- iets achter de hand hebben (=iets ter beschikking hebben voor wanneer het nodig mocht zijn (bv nood))
- iets in zijn schild voeren (=iets van plan zijn, een geheim hebben, stilzwijgend een plan uitvoeren)
- met wortel en tak uitroeien (=iets volledig bestrijden om er geen last meer van te hebben)
- mijn naam is haas (=ik weet nergens van en wil er niks mee te maken hebben!)
- door dik en dun (=in goede en slechte tijden / alles overhebben voor iemand)
- een man zonder vrouw is als een paard zonder teugels. (=in het huwelijk hebben man en vrouw elkaar nodig)
- in het vizier hebben (=in het oog hebben, binnen het gezichtsveld zijn)
- in zijn vuistje lachen (=in jezelf ergens plezier hebben / Op ietwat stiekeme wijze ergens voordeel van hebben)
- in het niet zinken (=in vergelijking met iets anders nog weinig waarde hebben)
- aan een touwtje hebben (=in zijn macht hebben)
- iets in de melk te brokken hebben (=invloed hebben)
- het is een slechte muis die maar een hol heeft (=je doet er best aan een alternatieve oplossing achter de hand te hebben)
- men kan zijn kinders wel minnen maar niet zinnen (=je kan je kinderen graag zien, maar ze hebben een eigen aard)
- krom jezelf als je door de wereld wilt komen (=je moet er wat voor over hebben om iets te bereiken)
- achterin de fuik zit de paling (=je moet geduld hebben)
- wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd (=je moet waardering hebben voor het geringe)
- jong bier moet gisten (=kinderen hebben recht op plezier)
- kleine oorzaken, grote gevolgen (=kleine dingen kunnen grote gevolgen hebben)
- vissenbloed hebben (=koudbloedig zijn, weinig gevoel hebben, niet gauw koud hebben)
- iets of iemand op de korrel nemen (=kritiek op iets of iemand hebben)
- lang genoeg in de kreupelstraat gewoond hebben (=lang genoeg in de problemen gezeten hebben)
- aan de kwakkel zijn (=last hebben van de gezondheid)
- beter ermee verlegen dan erom verlegen (=liever van iets te veel dan van iets te weinig hebben)
- stevig in het zadel zitten (=machtig zijn, een belangrijke positie hebben)
- er in zwemmen (=meer dan genoeg hebben)
- schoon genoeg hebben van (=meer dan genoeg hebben van, een hekel hebben aan)
- voor het opscheppen hebben (=meer dan genoeg hebben, zonder er iets voor te moeten doen)
- lachende monden, bijtende honden. (=mensen die vriendelijk of aardig lijken, kunnen in werkelijkheid kwade bedoelingen hebben)
- geen heilige zo klein of hij wil zijn kaarsje hebben. (=mensen vertellen graag wat voor goeds ze hebben gedaan)
- in hetzelfde schuitje varen/zitten (=met dezelfde omstandigheden te maken hebben, hetzelfde lot ondergaan)
- een lelijke noot met iemand te kraken hebben (=met iemand nog iets af te rekenen hebben)
- een toontje lager zingen (=minder opscheppen, minder grote mond hebben)
- in een moeilijk parket zitten (=moeilijkheden hebben)
- in het moeras zitten (=moeilijkheden hebben)
- na wat gepimpel, is de geest wat simpel (=na wat te hebben gedronken ben je meestal niet meer helder van geest)
- buiten de waard rekenen (=niet gerekend hebben op hoe anderen er werkelijk over denken)
- de plank misslaan (=niet het goede inzicht hebben; ernaast zitten)
- niet kapot zijn van (=niet veel op hebben met)
50 dialectgezegden bevatten `hebben`
- dat ken 't niet lied'n (=dat kan het niet hebben) (Westerkwartiers)
- dat kenn'n we niet meer bruuk'n (=dat kunnen we er niet meer bij hebben) (Westerkwartiers)
- dat kenn'n zij niet wacht'n (=daar hebben zij geen tijd voor) (Westerkwartiers)
- datech naut bén getrauwd hét nie on mich gefraete, mér dat ze mich nauts hübbe gevroëg da kannech nie vergaete (=van niets spijt hebben is het begin van alle wijsheid) (Bilzers)
- De antroase oep zè lijf hêbbe (=Heel veel angst hebben) (Walshoutems)
- de auge oap of den buul oap (=ergens mazzel mee hebben) (Venloos)
- de bibberebitsjes hebbe (=de daver op zijn lijf hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de boek op de lieste zetten (=Te veel te hebben gegeten) (Giethoorns)
- de bree veertiene (=het breed hebben) (Brugs)
- de broek draagn (=De leiding hebben) (Veurns)
- de communisten zen er wer (=maandstonden hebben) (Ransts)
- de duvel schaijt aeltijd op de grôte hoop (=De grootste rijke rotzakken hebben het meeste geluk in het leven en vangen nog meer geld dan nodig is: vangen het meeste geld.) (Utrechts)
- de duvel sjietj altied op dezelfdje houp (=dat komt op de verkeerde plek terecht; mensen die het al goed hebben krijgen alleen nog maar meer) (Heitsers)
- dè eet gieen bruet (=het kost niets om zoiets in voorraad te hebben) (Lokers)
- de erte oet höbbe (=het verbruid hebben) (Steins)
- de flem hëbbë (=geen goesting hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de floepërs hëbbe (=schrik hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de floepers höbbe (=angst hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- De flosj (af)trekken (=Op de kermismolen een gratis rit mogen maken (letterlijk). Geluk hebben (figuurlijk).) (bambrugs)
- De flosj afgetrokken hebben (=Een stommiteit begaan hebben (figuurlijk)) (bambrugs)
- de geete (geit) hèn (=in het kaartspel van elke kleur evenveel hebben) (Deinzes)
- de haes, de hos (=je zou hebben) (Bilzers)
- de hand op de knip hebben (=zuinig zijn) (Genneps)
- dè hêt kwakkerteblood (=nooit koud hebben) (Opglabbeeks)
- De huze hebt 'n götte van grune varve. (=De huizen hebben een goot van groene verf.) (Sallands)
- de hübstich wir get lotte opdauwe (=ze hebben je weer liggen) (Munsterbilzen - Minsters)
- de juu of pee ien hébbe (=Kwade zin hebben) (Genneps)
- De kakkeliere hebben (=Diarree hebben) (Brugs)
- de katte zit in d'aarlooze (=zij hebben ruzie) (Wetters)
- De katte zit in d'arlwuize (=De echtgenoten hebben ruzie) (Harelbeeks)
- de keir es geklonken (=een miskraam hebben) (Ninoofs)
- de keure hen (=gelegenheid hebben) (Veurns)
- de kluten uithangen (=er genoeg van hebben) (Lovendegems)
- De knak hebben (=Dronken zijn) (Monnickendams)
- De kó.nt vol schuld hèbbe (=Veel schulden hebben) (Genneps)
- de koffie oet höbbe (=de koffie opgedronken hebben) (Heitsers)
- de kolder in de kop hebben (=krankzinnig zijn) (Sevenums)
- de kons zene villo ter tiëge zètte (=grote planten in de tuin hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- De kop oranje hebben (=Kwaad wezen) (Giethoorns)
- De kop t’r neet nao hem’m staon . (=Ergens geen zin in hebben) (achterhoeks)
- de krop èn de kael hübbe (=verdriet hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de liegs bauste doë stees (=hoe kan je zweren zonder puisten te hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
- de lompste buur heet de dikste jaarpellen (=geluk hebben) (Vlijtingens)
- de luudsprekers graanz'n (=de luidsprekers hebben een krakend geluid) (Westerkwartiers)
- de mësiëre kump tich al tiëge aoën de viërdiër (=je hoeft nog niet alles gezien te hebben om te zien hoe groot de miserie is) (Munsterbilzen - Minsters)
- de mizieëre kump tich tieëge aon de vieërdieër (=je moet nog niet eens het heel huis bezien hebben om te weten dat het er maar armtierig uitziet) (Munsterbilzen - Minsters)
- de mure hemme oewere (=de muren hebben oren) (Loois)
- De ongelovege groeie de roze voor de skoene / hutte. (=Ongelovigen hebben vaak geluk.) (zaans)
- de oog'n nig vol hebb'n (=Altijd maar meer willen hebben) (Twents)
- de panne vannët daok zinge (=een geweldige stem hebben) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen