Spreekwoorden met `RU`

Zoek


193 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `RU`

  1. op het procRUstesbed leggen (=grofweg inkorten)
  2. op je lauweren RUsten (=niets doen en genieten van de vrije tijd)
  3. over de bRUg komen (=veel geld moeten betalen)
  4. praten als BRUgman (=gemakkelijk mensen kunnen overtuigen en vlot en boeiend kunnen vertellen)
  5. rijd een paard de RUg niet stuk (=je moet niet altijd te veel eisen)
  6. RUggespraak houden (=eerst ergens over moeten overleggen)
  7. RUim baan maken (=voldoende plaats maken)
  8. RUim zijn aandeel in `s werelds lief en leed gehad hebben (=genoeg geluk en tegenslagen gekend hebben)
  9. RUiten tikken (=inbreken)
  10. RUst noch duur hebben (=erg onrustig zijn)
  11. RUst roest (=wanneer je niets doet gaat je vermogen achteruit)
  12. RUsten aan abrahams` borst (=een rustig, aangenaam leven leiden)
  13. RUt zijn (=geen geld meer hebben)
  14. RUw laten stikken (=aan zijn lot overlaten)
  15. RUwe bolster, blanke pit (=ziet er sterk uit, maar heeft een goed hart)
  16. stilstand is achteRUitgang. (=stil blijven staan ​​leidt tot relatieve achteruitgang ten opzichte van anderen die vooruitgang boeken)
  17. stRUisvogelpolitiek (=het negeren of ontkennen van een probleem in de hoop dat het vanzelf verdwijnt.)
  18. summa summaRUm (=uiteindelijk - tenslotte) (Latijn)
  19. tegen de dood is geen kRUid gewassen. (=doodgaan is onvermijdelijk)
  20. tegen de verdRUkking in groeien (=ondanks zware omstandigheden toch vooruit komen)
  21. teRUg naar af (=begin maar weer opnieuw)
  22. teRUgverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede tijden terugverlangen)
  23. twee RUggen uit een varken willen snijden (=uit één ding dubbel het voordeel willen halen)
  24. van alle markten teRUggekomen zijn (=nergens voor deugen)
  25. van bRUiloft komt bRUiloft. (=op bruiloften worden vaak nieuwe relaties gevormd)
  26. van de regen in de dRUp (=niet veel opschieten, van moeilijke omstandigheden in nog moeilijkere omstandigheden terecht komen)
  27. voor geen klein geRUchtje vervaard (=niet gauw bang)
  28. voor iemand kRUipen (=van iemand schrik hebben , slaafs alles doen wat hij vraagt)
  29. vooRUit met de geit (=komaan, we doen voort.)
  30. waar er twee RUilen moet er een huilen (=bij het ruilen is de een altijd beter af dan de ander)
  31. wat de boer aan het koren verliest zal hij aan het spek wel teRUgvinden (=waar iemand iets verliest zal iemand (anders) iets winnen)
  32. wat het huis verliest, brengt het weer teRUg (=als men iets in huis zoek maakt, komt het meestal vanzelf weer tevoorschijn)
  33. we zullen ze eens een poepie laten RUiken (=we zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie))
  34. wee de wolf die in een kwaad geRUcht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  35. weten waar de aal kRUipt (=de ware bedoelingen van iemand doorzien)
  36. weten waar PetRUs de sleutel had (=op de hoogte zijn van wat niet iedereen weet)
  37. wie in een boomgaard werkt mag er uit eten / van de dRUiven eten. (=voordeel halen uit je werk.)
  38. wie zijn eigen tuintje wiedt, ziet het onkRUid van een ander niet (=het is beter om energie te steken in het verbeteren van jezelf, dan in het bekritiseren van anderen)
  39. zes kRUisjes hebben (=60 jaar oud zijn)
  40. zijn mond gaat als een lazaRUsklep (=hij spreekt altijd)
  41. zijn pRUik staat scheef (=hij is slecht gehumeurd)
  42. zo bRUtaal als de beul zijn (=erg brutaal zijn)
  43. zo komt het luie zweet eRUit (=gezegd van iemand die hard werkt)

234 betekenissen bevatten `RU`

  1. in touw zijn (=met iets dRUk bezig zijn)
  2. een rak in de wind (=met veel werk langzaam vooRUit komen (een lang recht stuk tegenwind zeilen))
  3. op gespannen voet (zijn) (=moeilijk met elkaar omgaan, RUzie)
  4. geliefdes kijven doet liefde bedrijven. (=na een RUzie tussen geliefden volgt liefde)
  5. terugverlangen naar de vleespotten van Egypte (=naar de goede tijden teRUgverlangen)
  6. overboord werpen (=niet langer gebRUiken, ervan afzien)
  7. het hoofd loopt me om (=niet meer weten wat te doen (bv bij dRUkte))
  8. geen duimbreed wijken (=niet toegeven of toegeven aan dRUk.)
  9. met de kop tegen de muur lopen (=nutteloos geweld gebRUiken)
  10. twisten om des keizers baard (=om kleinigheden RUzie maken)
  11. iemand op sleeptouw nemen (=omdat iemand het alleen niet lukt diegene helpen, iemand steeds maar dingen beloven zonder die na te komen, iemand gebRUiken voor eigen belang zonder dat die het doorheeft)
  12. tegen de verdrukking in groeien (=ondanks zware omstandigheden toch vooRUit komen)
  13. het mes op de keel zetten (=onder sterke dRUk zetten)
  14. lopen als een kip die haar ei niet kwijt kan (=onRUstig heen en weer lopen)
  15. lopen als een muis in een meelton (=onRUstig heen en weer lopen)
  16. door de achterdeur weer binnenkomen (=onverwacht teRUgkomen op een afgeronde situatie)
  17. van bruiloft komt bruiloft. (=op bRUiloften worden vaak nieuwe relaties gevormd)
  18. het is een slechte bruiloft waar maar één bruid is. (=op bRUiloften worden vaak nieuwe relaties gevormd)
  19. op z`n dooie akkertje (=op zijn gemak, heel RUstig, heel langzaam)
  20. het hoofd in de schoot leggen (=opgeven en er in beRUsten)
  21. aan kant doen (=opRUimen)
  22. de boel aan kant maken (=opRUimen)
  23. een oud paard van stal halen. (=oude argumenten opnieuw gebRUiken)
  24. oude koeien uit de sloot halen (=oude geschiedenissen teRUg ten tonele voeren)
  25. je wilde haren verliezen (=ouder en RUstiger worden)
  26. hou ouder, hoe gekker. (=ouderen maken zich minder dRUk om wat anderen van hen denken)
  27. over smaak valt niet te twisten (=over verschil in smaak moet men geen RUzie maken)
  28. poeha maken (=overdreven doen of dRUkte maken)
  29. de bui afwachten (=RUstig afwachten wat voor onheil er komt)
  30. er met de botte bijl op inhakken (=RUw te werk gaan)
  31. het aan de stok hebben (=RUzie hebben)
  32. elkaar in de haren vliegen (=RUzie maken)
  33. overhoop liggen (=RUzie met elkaar hebben)
  34. het met iemand aan de stok hebben/krijgen (=RUzie met elkaar hebben/krijgen)
  35. woorden hebben (=RUzie of enigheid hebben)
  36. met iemand in aanvaring komen (=RUzie of problemen met iemand krijgen)
  37. tegen de schenen schoppen (=RUzie zoeken)
  38. schoon schip maken (=schulden betalen, de boel opRUimen, na RUzie/problemen samen er uit komen en het verleden laten RUsten)
  39. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, RUstig)
  40. korte afrekening maakt lange vriendschap (=snel teRUgbetalen (teRUggeven) voorkomt RUzie)
  41. op hetzelfde aambeeld hameren/slaan (=steeds weer op hetzelfde onderwerp teRUgkomen)
  42. stilstand is achteruitgang. (=stil blijven staan ​​leidt tot relatieve achteRUitgang ten opzichte van anderen die vooRUitgang boeken)
  43. een muurbloempje zijn (=stil en teRUggetrokken zijn)
  44. ellebogenwerk (=succes boeken door op slinkse wijze van anderen misbRUik te maken)
  45. de klok achteruit zetten (=teRUg naar oude toestanden gaan)
  46. met andermans kalf ploegen (=terwijl je de hulp van een ander gebRUikt, doen alsof je het zelf alleen gedaan hebt)
  47. doe wel en zie niet om. (=toon vriendelijkheid of behulpzaamheid zonder iets in RUil te verwachten)
  48. stoom afblazen (=tot RUst komen)
  49. als Ieren en Britten op één land (=twee aartsvijanden in één RUimte)
  50. uit het vuistje (=uit de hand , zonder gebRUik van mes en vork)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen