Spreekwoorden met `va`

Zoek


663 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `va`

  1. de ring van gyges hebben (=zich onzichtbaar kunnen maken)
  2. de schapen van de bokken scheiden (=het goede van het slechte scheiden)
  3. de schellen vallen hem van de ogen (=plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt)
  4. de scherpe kantjes er van afhalen. (=iets verzachten of minder extreem maken)
  5. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  6. de snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen (=ik ben op goede plaatsen beland)
  7. de sterkte van de ketting wordt bepaald door de zwakste schakel (=het geheel is niet sterker dan het zwakste onderdeel)
  8. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  9. de varkens geschoren hebben (=weinig opbrengst hebben)
  10. de vleespotten van Egypte (=een vroegere tijd van grote welvaart)
  11. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  12. de vruchten van iets plukken (=het voordeel van iets hebben)
  13. de vuilste varkens willen altijd het beste stro. (=mensen die het niet verdienen willen evengoed het beste)
  14. de weg van alle vlees gaan (=sterven)
  15. de wens is de vader van de gedachte (=je gelooft iets, omdat je wil dat het zo is)
  16. de wind van voren krijgen (=kritiek krijgen, direct gezegd worden wat er mis is)
  17. de wolf/vos ruilt wel van baard maar niet van aard (=het karakter van de mensen verandert nooit)
  18. dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
  19. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  20. door de mand vallen (=doorzien worden)
  21. door de mazen van het net glippen/kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  22. door het oog van de naald kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  23. dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kunnen rondkomen door zuinig te zijn)
  24. dun van leer en dik van smeer (=dunne boterham die dik gesmeerd is)
  25. een aardje naar zijn vaartje (=het karakter van zijn vader hebben)
  26. een aflossing van de wacht (=een vervanging van de ene persoon door een andere)
  27. een bliek (spiering) uitgooien om een snoek te vangen (=met zo min mogelijk kosten proberen maximale winst te behalen)
  28. een blind varken vindt ook nog wel eens een eikel. (=zelfs iemand die niet erg intelligent is heeft soms geluk en doet iets goed)
  29. een bodemloos vat zijn (=altijd te weinig van iets zijn of opraken)
  30. een boom van een kerel (=een grote man)
  31. een dijk van een baan (=een geweldige baan)
  32. een doos van Pandora zijn (=een bron van problemen, ellende, ziekte en misère zijn)
  33. een fluitje van een cent (=een eenvoudige taak)
  34. een geeltje van de plank nemen (=een oude preek herhalen)
  35. een gezicht van ouwe lappen (=een huilerig of lelijk gezicht)
  36. een hardloper van luie Kees (=een treuzelaar)
  37. een hart van goud hebben (=zeer vriendelijk en behulpzaam zijn.)
  38. een hart van steen hebben (=geen medelijden met anderen hebben)
  39. een kind van Laban (=iemand met een blanke huid)
  40. een kind van zijn tijd (=iemand die leeft volgens de in zijn tijd heersende opvattingen)
  41. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  42. een klap van de molen gekregen hebben (=niet goed meer bij verstand zijn)
  43. een klap van een lamme aap krijgen (=gekwetst worden)
  44. een kluwtje dat vanzelf afloopt. (=iets wat zich vanzelf oplost)
  45. een koekje van eigen deeg (=iets geven (of krijgen) wat oorspronkelijk bedacht is door degene die het krijgt (of geeft))
  46. een land van melk en honing zijn (=een land waar het goed en voorspoedig leven is)
  47. een liedje van verlangen (=iets nog even proberen uit te stellen)
  48. een liedje van verlangen zingen (=op allerlei manieren een wens uitspreken)
  49. een man van de klok zijn (=iemand die steeds precies op tijd is)
  50. een muur van onbegrip (=een hardnekkig gebrek aan begrip)

860 betekenissen bevatten `va`

  1. ketters wonen het dichtst bij de paus (=de beste vrienden van een machtig man zijn vaak zijn grootste vijanden)
  2. de mei van het leven (=de bloeitijd van het leven)
  3. tussen de regels door lezen (=de diepere betekenis van een tekst begrijpen)
  4. de eerste stoot opvangen (=de eerste problemen opvangen)
  5. de eigen boontjes doppen (=de eigen zaken regelen zonder hulp van anderen)
  6. herenzonden boerenleed. (=de gewone mensen boeten voor de fouten van de mensen met macht)
  7. de bokken van de schapen scheiden (=de goeden van de kwaden scheiden)
  8. het ruime sop kiezen (=de haven uitvaren)
  9. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te vertrouwen)
  10. eén onderrok trekt meer dan twee paarden. (=de invloed van een vrouw is heel sterk)
  11. een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden. (=de invloed van een vrouw is zeer sterk)
  12. zoals de ouden zongen piepen de jongen (=de jongeren leren het van de ouderen)
  13. bomen ontmoeten elkaar niet, mensen wel (=de kans dat je iemand toevallig tegenkomt is groot)
  14. de spijker op de kop slaan (=de kern van de zaak benoemen)
  15. zo heer zo knecht (=de knechten volgen het voorbeeld van de bazen)
  16. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)
  17. de groten rijden te paard en de kleinen hangen tussen hemel en aarde. (=de machtige lui leven op kosten van de gewone man)
  18. de prins op het witte paard (=de man van je dromen)
  19. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  20. eerste viool willen spelen (=de meest prominente taak willen vervullen, bijvoorbeeld als leider of woordvoerder van de groep)
  21. er is meer gelijk dan eigen gelijk (=de mening van anderen telt ook)
  22. er is meer dan een koe die blaar/bles heet (=de mening van anderen telt ook)
  23. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind vertrouwen)
  24. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  25. het slechtste wiel van de wagen kraakt meest. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  26. ijdele tonnen rollen het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  27. holle vaten klinken het hardst. (=de minst competente persoon is vaak ook de luidste)
  28. geen zorgen voor morgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad (=de moeilijkheden van vandaag zijn genoeg om je zorgen over te maken)
  29. regen in mei, dan is april voorbij (=de natuur kiest vanzelf de goede volgorde)
  30. niet door de beugel kunnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
  31. vreemde ogen dwingen (=de ogen van een vreemde heeft meer invloed op je dan van een bekende)
  32. de grote vissen eten de kleine (=de ondergeschikten moeten doen wat de baas zegt / het slachtoffer worden van overmacht.)
  33. op de pianist schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) straffen)
  34. ook tussen de mooie bloemen groeien brandnetels (=de schoonheid van de omgeving biedt geen garantie voor onaangename zaken)
  35. de wrijfpaal zijn (=de schuld krijgen (van alles))
  36. een streep door de rekening halen (=de schuld van iemand kwijtschelden en het er niet meer over hebben)
  37. van de wal in de sloot (helpen) (=de situatie verergeren in plaats van verbeteren)
  38. in het strijdperk treden (=de strijd aanvatten)
  39. andermans boeken zijn duister te lezen (=de toestand of bedoelingen van een ander zijn moeilijk in te schatten)
  40. wie de pot breekt betaalt de scherven (=de veroorzaker van schade moet de situatie zelf rechtzetten.)
  41. de vrucht der ervaring rijpt niet aan jonge takken (=de verstandigste opmerkingen komen van oudere mensen)
  42. de haan is de baas als de hen niet thuis is. (=de vrouw is de baas in huis, ook al vindt de man van niet)
  43. weten waar de aal kruipt (=de ware bedoelingen van iemand doorzien)
  44. overstag raken (=de wind van voren krijgen)
  45. de leer veroordelen maar de leraar sparen (=de wortel van het probleem niet aanpakken)
  46. de lens is uit de wagen (=de zaak is vastgelopen)
  47. de zee ploegen (=de zee bevaren)
  48. de achilleshiel (=de zwakke kant/plek van iets)
  49. de drager kan het beste zeggen waar de schoen wringt (=degene die een probleem heeft, kan de kern van dit probleem vaak het scherpste benoemen)
  50. het klopt als een bus (=deze uitdrukking is een contaminatie van het sluit als een bus met: het klopt als een zwerende vinger)

50 dialectgezegden bevatten `va`

  1. tès ter va vergeev'n (=het staat er vol van) (Brakels)
  2. tis nen beum va ne vent mor ne liegstaam (=een kleine man) (Zottegems)
  3. tis olsan va aaj en oej (=hij klaagt van het minste ongemak) (Kortemarks)
  4. tzwit va zijn klutn lupt zijn veurhufd omuge (=hij is erg bezweet) (Brakels)
  5. va e skeete nen donderslag moaken (=van een mug een olifant maken) (West-Vlaams)
  6. va geenen oantrok zin (=door niemand bezocht worden en geen vrienden hebben) (Sint-Niklaas)
  7. va je gat maken (=zich druk maken) (Brugs)
  8. va kom vurdrom (=altijd opnieuw) (Sint-Niklaas)
  9. va krommen oeës geboeërn (=zogezegd van niets weten, ontkennen) (Meers)
  10. va krommen ous geboaren (=Doen alsof ge van niks weet) (Bevers)
  11. va krommenoas geboaren (=doe alsof men iets niet gehoord of gezien heeft) (Sint-Niklaas)
  12. va krommenoas geboaren (=zogezegd van niets weten) (Moes)
  13. va lampet geven (=geweldig te keer gaan) (Meers)
  14. va moetes (=omdat het moet, uw plicht nakomen bv. trouwen omwille van zwangerschap) (Meers)
  15. va nen aus gepoept zijn (=snel zijn) (Moorsel)
  16. va Peer nôr Kljaas lopen (=zonder resultaat of oplossing bij verschillende personen voor een probleem aankloppen) (Sint-Niklaas)
  17. va piekennoas begoaren (=doen alsof je van niets weet) (Iepers)
  18. va pielong geev'n (=zich erg inspannen) (Wichels)
  19. va ponsjes nar pieloates (=van het kastje naar de muur) (Wichels)
  20. va veurafoën erbeginnen (=helemaal herbeginnen) (Meers)
  21. va veuren open en vanachter nie toe (=zwoel kleedje) (Moes)
  22. va viuërn nie weedn hoeda vanachter leeft (=oerdom zijn) (Kaprijks)
  23. va vuur aaf aan (=op nieuw) (Sjilvends)
  24. va zannen tak moaken (=van zijn oren maken) (Giesbaargs)
  25. va zè zaalve goan, va zène suus goan, oardug wurren, wegdrjaan (=het bewustzijn verliezen) (Sint-Niklaas)
  26. va zè zelve goeën (=flauw vallen, bewustzijn verliezen) (Meers)
  27. va ze zelve vallen (=in zwijm vallen) (Meers)
  28. va zèn ert ne steen moaken (=iets doen zonder veel goesting) (Sint-Niklaas)
  29. va zen kluuëten moken. (=zich kwaad maken) (Nieuwerkerks)
  30. va zènne senter goeën (=bewustzijn verliezen) (Meers)
  31. va zènne senter vallen/droeën (=buiten bewustzijn raken, flauwvallen) (Meers)
  32. va zènne sus droeën (=buiten bewustzijn raken, flauwvallen) (Meers)
  33. va zènne sus vallen (=flauw vallen, bewustzijn verliezen) (Meers)
  34. va zien kruuzen leiven (=Rentenieren) (Ronsisch)
  35. va zij zelleven vallen. (=Bewusteloos raken.) (Bevers)
  36. va zij zelve goan (=in zwijm vallen) (Brakels)
  37. va zijn sies droaën (=bewusteloos raken) (Kaprijks)
  38. vallingk (=den achternoëm vâ ne Vlomse zanger (Jo)) (Dendermonds)
  39. van ot nor jeir loûpen, va Peer nor Kljaas loûpen (=doelloos van over en weer lopen) (Sint-Niklaas)
  40. vasevesaant- va keskeschiet-half se gat (=slecht uitgevoerd werk) (Balens)
  41. véi-péi (=opèlp vâ sommegste mènsje in de gruëte vakanse) (Dendermonds)
  42. véirkintj (=noëkommelingk vâ véirproevers) (Dendermonds)
  43. vraamènsj (=gerief vâ ne mannemènsj) (Dendermonds)
  44. vrogger... toe God nog Gait hiettn en kissies bier va holt waarn. (=wanneer men over vroeger praat:) (Vechtdals)
  45. wa nun bok va ne vent (=wat een koppig man) (Sint-Niklaas)
  46. z' en va werkn e stad gemakt en van de reste Bovekerke (=ze hebben van werken een stad gemaakt en van de rest van de stenen bovenkerke) (Veurns)
  47. zed e muulle va lintjes (=Het is een babbelkous) (Ostêns)
  48. zelve: Ei es va zij zelve gegaun (=Hij is in zwijm gevallen) (Lebbeeks)
  49. zeu dom as 't pjeid va Christus (=heel dom) (Ninoofs)
  50. zidde gè va Lotje getikt?; zidde gè op ô kop gevallen? (=gij zijt zot zeker?) (Sint-Niklaas)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen