179 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `UN`
- iets niet kUNnen gebeteren (=iets niet kunnen verhelpen)
- iets niet met droge ogen kUNnen aanzien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het zien gebeuren van iets)
- iets niet met zijn geweten overeen kUNnen brengen (=iets niet kunnen doen omdat men het niet goed vindt)
- iets niet over zijn hart kUNnen krijgen (=ergens niet toe kunnen komen of ergens op gesteld zijn)
- iets op je buik kUNnen schrijven (=iets wel kunnen vergeten, dat wat je wilde gaat niet door)
- iets op je vingers kUNnen natellen (=iets erg gemakkelijk kunnen nagaan/checken)
- iets op zijn sloffen aankUNnen (=iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren)
- in de rUNning (=in competitie - doet nog mee)
- je botten kUNnen tellen (=erg mager zijn)
- je draai niet kUNnen vinden (=ergens niet kunnen aarden)
- je ei kwijt kUNnen (=de gelegenheid hebben zich te uiten; of, zijn creativiteit kunnen gebruiken)
- je eindje wel kUNnen halen (=genoeg (geld) hebben tot aan zijn dood)
- je gram niet kUNnen halen (=machteloos woedend zijn)
- je iets laten aanleUNen (=je iets laten welgevallen)
- je kUNt niet met twee voeten in één sok (=twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd)
- je kUNt nooit weten waar een paling kruipt (=zeg nooit nooit)
- je kUNt van een kale kikker geen veren plukken (=er valt niets te halen bij iemand die niets heeft)
- je kUNt van mij de pot op (=je doet maar waar je zin in hebt)
- je kUNt wel alleen eten, maar niet alleen werken. (=men moet goed voor het personeel zijn.)
- je kUNt wel dansen, ook al is het niet met de bruid (=je kunt je best amuseren ook al is het niet altijd precies wat je zou willen)
- je lol wel opkUNnen (=er niet mee kunnen lachen)
- je maag wel aan de kapstok kUNnen hangen. (=in moeilijke financiële omstandigheden verkeren waardoor men weinig eten kan kopen.)
- je mannetje kUNnen staan (=zich goed kunnen verdedigen)
- je plezier niet opkUNnen (=er veel plezier aan beleven)
- je wel voor de kop kUNnen slaan (=kwaad zijn op jezelf over het feit dat men ergens niet aan gedacht heeft)
- klinkende mUNt (=contant geld)
- kruis noch mUNt hebben (=geen geld hebben)
- kruis of mUNt gooien (=ervoor loten)
- kUNnen behappen (=kunnen begrijpen)
- kUNnen lezen en schrijven (=al lange tijd goede diensten bewezen hebben)
- kUNnen maken en breken (=er veel macht over hebben)
- kUNnen missen als kiespijn (=veel liever niet hebben)
- kUNnen zakken en verkopen (=in handigheid ver overtreffen)
- kUNst baart gUNst. (=als je ergens bedreven in bent zijn anderen toegevender en welwillender)
- meer kUNnen dan alleen brood eten (=verstand van zaken hebben)
- met de konijnen door de tralies kUNnen eten (=zeer mager zijn)
- met gelijke mUNt betalen (=hetzelfde kwaad terugdoen)
- met hem kUN je gaan vissen (=een prettig persoon in de omgang)
- met kUNst- en vliegwerk (=niet volgens de normale gang van zaken)
- mUNdus vult decipi (=de wereld wil bedrogen worden) (Latijn)
- mUNt uit iets slaan (=voordelen halen uit)
- nee heb je, ja kUN je krijgen (=je kunt het altijd proberen)
- niet door de beugel kUNnen (=de norm overschrijden van wat aanvaardbaar of behoorlijk is)
- niet in iemands schaduw kUNnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
- niet kUNnen hard maken (=niet kunnen bewijzen)
- niet kUNnen heksen (=het niet zo snel afkunnen - er meer tijd voor nodig hebben)
- niet kUNnen rijmen (=dingen die niet met elkaar kloppen of het samen niet kunnen begrijpen)
- niet meer kUNnen wegdenken (=niet meer kunnen missen)
- niet met iemand door één deur kUNnen (=niet met iemand kunnen samenwerken (door verschillen in persoonlijkheid.))
- niet ruim kUNnen soppen (=niet erg rijk zijn)
338 betekenissen bevatten `UN`
- in het verdomboekje staan (=geen goed meer kUNnen doen)
- aan handen en voeten gebonden zijn (=geen kant op kUNnen)
- met de rug tegen de muur staan (=geen kant op kUNnen, hooguit een laatste uitweg)
- al zijn kruit verschoten hebben (=geen verdere oplossingen meer weten - niet meer verder kUNnen)
- bij kleine hapjes leert men een hond eten. (=geleidelijk aan kUN je zelfs aan onmogelijke dingen wennen.)
- praten als Brugman (=gemakkelijk mensen kUNnen overtuigen en vlot en boeiend kUNnen vertellen)
- wat goed eet, schijt goed. (=gezond eten laat het lichaam goed fUNctioneren.)
- op goede voet staan met iemand (=goed kUNnen opschieten)
- een gladde tong hebben (=goed kUNnen praten, het goed kUNnen uitleggen)
- dun snijden is het behoud van de worst. (=goed kUNnen rondkomen door zuinig te zijn)
- een goed mondstuk hebben (=goed kUNnen spreken)
- een goed hart toedragen (=goed kUNnen verdragen)
- handen aan het lijf hebben (=goed kUNnen werken)
- zo dicht als een pot zijn (=goed kUNnen zwijgen/geheimen bewaren)
- buig de boom als hij jong is (=goede gewoonten kUNnen het beste al jong worden aangeleerd)
- alle mensen moeten leven (=gUN de anderen ook wat)
- geen voetbreed wijken (=hard op zijn standpUNt blijven)
- op en top (=helemaal, tot in de pUNtjes)
- weer in het zadel helpen (=helpen om weer door te kUNnen gaan)
- het antwoord schuldig blijven (=het antwoord niet kUNnen geven)
- de vingers jeuken hem (=het bijna niet kUNnen laten er op los te slaan)
- het op zijn pantoffels/sloffen afkunnen (=het gemakkelijk aankUNnen)
- de kroon spannen (=het hoogtepUNt vormen)
- het mes snijdt aan twee kanten (=het levert dubbel voordeel op (NL.) Er zijn niet alleen voordelen aan verbonden, je kan eender wat vanuit verschillende en zelfs tegengestelde standpUNten bekijken (BE).)
- er niet bij kunnen (=het niet kUNnen begrijpen)
- er met de pet niet bij kunnen (=het niet willen/kUNnen snappen)
- niet kunnen heksen (=het niet zo snel afkUNnen - er meer tijd voor nodig hebben)
- niet thuis geven (=het verwachtingspatroon niet kUNnen nakomen)
- mans genoeg zijn (=het wel alleen afkUNnen)
- er kunnen inkomen (=het wel kUNnen begrijpen)
- het wel kunnen schudden (=het wel kUNnen vergeten)
- wel thuis kunnen blijven (=het wel kUNnen vergeten)
- voor de deur staan (=ieder ogenblik kUNnen beginnen, komen)
- iemand in het zadel helpen (=iemand aan een (goede) fUNctie/positie helpen)
- iemand het licht in de ogen niet gunnen (=iemand absoluut niet kUNnen verdragen)
- iemand met schele/scheve ogen aankijken (=iemand afgUNstig bekijken)
- iemand in de arm nemen (=iemand de hulp vragen om te ondersteUNen)
- iemand de handen zalven (=iemand een geschenk geven in de hoop een gUNst te bekomen)
- iemand met een zwarte kool tekenen (=iemand erg ongUNstig voorstellen)
- het op iemand begrepen hebben (=iemand goed kUNnen verdragen / iemand is altijd de pineut)
- iemand op z`n hand hebben (=iemand hebben die hem steUNt)
- iemand te paard helpen. (=iemand helpen, steUNen)
- iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kUNnen voorzien)
- iemands handen zalven (=iemand iets geven in de hoop een gUNst te verkrijgen)
- iemand de brokken in de mond tellen (=iemand iets helemaal niet gUNnen)
- iemand klein krijgen (=iemand laten merken dat je hem aankUNt, over iemand de baas zijn en diegene tot gehoorzaamheid dwingen)
- iemand bijspijkeren (=iemand met geld of kennis ondersteUNen)
- liever iemand zijn hielen zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kUNnen verdragen)
- het niet op iemand hebben (=iemand niet goed kUNnen verdragen)
- iets tegen iemand hebben (=iemand niet goed kUNnen verdragen)
50 dialectgezegden bevatten `UN`
- dé luptj wi-j UN tiet (=dat loopt op rolletjes) (Budels)
- de maenein UN nist, is merrehUN rehen of mist (=de maan) (Zeeuws)
- de mèskes hòn UN haorinder kleejke aon (=de meisjes hadden precies dezelfde jurk aan) (Tilburgs)
- dè paast as UN pliesiemuts (=dat zit als gegoten) (Tilburgs)
- dè paast as UNne pik in UN weedevraaw (=dat sluit als een bus) (Tilburgs)
- dè-s nògal UN priegel wèèrek (=dat is nogal een secuur werkje) (Tilburgs)
- dè-s UN kösselek kedoo, war (=dat is een kostbaar cadeau, nietwaar) (Tilburgs)
- dè-s UN nèèg mènneke (=dat is een vurig ventje) (Tilburgs)
- dè-s UN preej (=dat is een voordeel) (Tilburgs)
- den dienn éé nUN drooi tevele gaat; i ë uñ veize loss; i ë ne slaach van de meulñ gaat (=die is zot) (Oudenaards)
- der hoeng UN hloed deur zn stisens (=gloed) (Zeeuws)
- der is gin betur leve dan UN goei (=wat hebben wij het goed) (Heezers)
- der stao UN schôon snötje op (=dat kind is best knap) (Tilburgs)
- der zit UN ul ip je dak (=je moet nog je huis verder afbetalen) (West-Vlaams)
- deris UN aor in de botter gekomme (=er is een kink in de kabel gekomen) (Oudenbosch)
- Des allemaol zeik op UN riek (=Dat stelt helemaal niets voor. Het gaat nergens over) (Ewijk (Euiwwiks))
- des mer UN goèj (=dat is niet ver) (Brakels (gld))
- Des ok UN handige Haj (=Hij heeft twee linkerhanden) (Boksmeers)
- des UN blaauw plek, dè vuult voois oan (=dat is een blauwe plek, dat voelt gekneusd aan) (Kaatsheuvels)
- Des UN broek mee UN laog zuur (=Dat is een broek met een laag kruis) (Gils)
- Des UN kei lekker wééf (=Dat is een mooie dame) (eindhovens)
- Des ún lekker wééf (=Dat is een mooie dame) (brabants)
- det is UN kruuts (=dat is een ellende) (Susters)
- di lopt UN streepje deur (=niet zon bij de hand persoon) (Zeeuws)
- Dich höbs UN pan aaf (=Dat meen je niet) (Margratens)
- dich höbs UN pan aaf, dich has UN bom geköpt, dich hasse neet mie neuj (=jij bent gek) (Limburgs)
- die ei wezenlik UN kopje u din (=man met moeilijke vrouw) (Zeeuws)
- Die gin met UN sneltreinvaort voorbai (=Hij reed / liep / snel langs) (Utrechts)
- Die heb UN hoge bors (=Die is hooghartig) (Dordts)
- die ie UN aer in zUN neuze (=hij heeft kapsones) (Zeeuws)
- Die is UN bietje mèr as ne rèchte vêrrekesstart. (=Van goede komaf zijn.) (Liessents)
- die ka wè deu UN lampehlaas (=een dUN iemand) (Zaamslags)
- die keek as UN uul op 'n klûte (=dom voor zich uit kijken) (Zaamslags)
- die kUNde deur UN laampeglas aole (=hij is heel erg mager) (Oudenbosch)
- die motte ze UN ee-ntje out in z ne nek le-ge (=die moeten ze eens stevig aanpakken) (Oudenbosch)
- die zietur uut es UN durgescheete èrt (=die ziet er pips uit) (Oeffelts)
- diech UN piep raoke (=bedrogen uit komen) (Mestreechs)
- diech UN plaank tikke (=de plank mis slaan) (Mestreechs)
- diech UN plaat tikke (=bedrogen uit komen) (Mestreechs)
- diejis daor UN kirke goed onderaande genome (=die is ernstig tot de orde geroepen) (Oudenbosch)
- dijee UN klap van de meule gat (=die is niet bij zijn verstand) (Oudenbosch)
- dinken moej je oan UN perd leaten doewn de hit UNne gruttere kop (=denken moet je aan een paard laten doen dat heeft een groter hoofd) (Budels)
- Doa ziede goe mej, as UN dörp mej UNne gekke pastoer (=Daar schiet je niets mee op) (Zurriks)
- Dóotj mich mer UN piêpke (=Doe mij maar een pilsje.) (Weerts)
- dor hittie UN uijgske nôp (=daar heeft hij een oogje op) (Boakels)
- Dou bist oek UN Piekeneur ! (=Piekeraar) (Harlingers)
- dow bis zeek in de kop / of dow hes UN rij panne los (=Jij bent ziek in je hoofd!) (Sevenums)
- dUN dieje is nog stommer as ut achtereind van UN verku (=iemand die erg dom is) (Riekevorts)
- DUN dieju kUNde deur UN laampeglas hoalu (=Die is erg mager) (Brakels (gld))
- dUN eeste fietser laag UN straot voor (=de ontsnapte renner had een grote voorsprong) (Oudenbosch)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen