Spreekwoorden met `ap`

Zoek


265 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ap`

  1. de kap op de tuin werpen (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  2. de kap over de haag smijten (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  3. de kap/sluier/habijt aannemen (=in een klooster gaan)
  4. de krenten uit de pap halen (=de meest aantrekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  5. de meeste aardappelen al gegeten hebben (=veel meegemaakt hebben, al lang leven)
  6. de rapen zijn gaar (=er is een probleem waar direct iets aan gedaan moet worden)
  7. de rotte appels uit de mand halen (=de minder getalenteerde personen wegsturen, de minder goede dingen sorteren van de goede dingen)
  8. de schapen scheren (=gemakkelijk grote winsten maken)
  9. de schapen van de bokken scheiden (=het goede van het slechte scheiden)
  10. de slaap der rechtvaardigen slapen (=een schoon geweten hebben)
  11. de slappe lach hebben/krijgen (=niet kunnen stoppen met lachen)
  12. de wapenrok aantrekken (=militair worden)
  13. de zeug loopt met de tap weg (=nalatigheid is hier troef)
  14. die haalt de nieuwe aardappelen niet (=iemand die gauw zal gaan sterven)
  15. die het geluk vindt, die mag het oprapen. (=geluk komt onverwachts)
  16. door de zure appel (heen)bijten (=het onaangename doen of over zich heen laten gaan)
  17. een aangeklede aap (=een bespottelijk iemand)
  18. een aap op de schouder hebben (=een probleem hebben waar je niet vanaf komt.)
  19. een appeltje met iemand te schillen hebben (=nog een vervelend onderwerp met iemand te bepraten hebben)
  20. een appeltje voor de dorst (=een reserve voor moeilijke tijden die mogelijk nog gaan komen)
  21. een broodje aap (=een verzonnen verhaal dat als waarheid wordt verspreid.)
  22. een droge maart en een natte april is de boeren naar hun wil (=weerspreuk)
  23. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  24. een gezicht van ouwe lappen (=een huilerig of lelijk gezicht)
  25. een hazenslaapje (=een slaap, die zo licht is, dat men bij `t minste geluid wakker wordt)
  26. een keel als schuurpapier hebben (=een erg droge keel (keelpijn) hebben)
  27. een kind om een boodschap sturen. (=niet de juiste persoon iets op laten lossen)
  28. een klap van de molen (beet) hebben (=niet goed bij het verstand zijn)
  29. een klap van de molen gekregen hebben (=niet goed meer bij verstand zijn)
  30. een klap van een lamme aap krijgen (=gekwetst worden)
  31. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  32. een luchtje happen (=even buiten gaan wandelen)
  33. een meid en een aardappel kies je zelf (=een vrouw kun je niet door iemand anders laten uitkiezen)
  34. een mens is geen aardappel (=iedereen heeft zo nu en dan behoefte aan ontspanning)
  35. een nieuwe lap op een oud kleed (=een zinloze toevoeging)
  36. een onzevader bidden in alle kapelletjes (=in alle cafés langsgaan)
  37. een open deur intrappen (=iets doen wat niet nodig is of iets wat al gezegd of gedaan is nog een keer doen)
  38. een oud paard hoort graag het klappen van de zweep. (=een oud persoon hoort graag verhalen over het oude vakmanschap)
  39. een oud voerman hoort nog graag het klappen van de zweep (=iemand die oud is vindt het fijn te praten over dingen van vroeger)
  40. een papieren zoldertje (=een dunne ijskorst)
  41. eén rotte appel in de mand, maakt al het gave fruit te schand (=als één persoon uit een groep zich misdraagt, wordt de hele groep erop aangekeken. / Een negatieve beïnvloeding van één persoon kan vele anderen op het slechte pad brengen.)
  42. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  43. een slaapmutsje nemen (=een borreltje nemen voor het slapen gaan)
  44. een slap jantje zijn (=een sukkel zijn)
  45. een smulpaap zijn (=van lekker eten houden)
  46. een twistappel vormen (=een onderwerp van ruzie/conflict/onenigheid zijn)
  47. een uiltje knappen (=een dutje doen (zogenaamd een vlinder vangen))
  48. een vinger in de pap hebben (=ergens iets in te zeggen hebben, invloed hebben)
  49. een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  50. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)

122 betekenissen bevatten `ap`

  1. het beste paard van stal wordt overgeslagen (=grappige uitspraak wanneer iemand overgeslagen wordt)
  2. een Homerisch gelach (=harde en gemene lach om het ongeluk, de mislukking of de handicap van tegenstrevers.)
  3. kruit noch lood hebben (=helemaal ongewapend zijn)
  4. de keel kost veel (=herhaalde dronkenschap leidt tot armoede)
  5. het is naar de maan (=het is kapot)
  6. er met de pet niet bij kunnen (=het niet willen/kunnen snappen)
  7. iets zwart op wit hebben (=het op papier hebben staan)
  8. de kop van jut (=het slachtoffer, het zwarte schaap)
  9. de Hebreeërs bouwden het, maar de Egyptenaren hebben het. (Exodus 1:11-14) (=het vuile werk door anderen opknappen en het resultaat zelf pakken)
  10. een eitje met iemand te pellen hebben (=hetzelfde als: een appeltje met iemand te schillen hebben. Nog iets met iemand moeten oplossen.)
  11. het krullen van de staart is het fatsoen van de hond. (=iedereen heeft wel een positieve eigenschap)
  12. de hete aardappel doorspelen (=iemand anders de vervelende klus laten opknappen)
  13. een held op sokken (=iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik)
  14. iemand een hengst verkopen. (=iemand een harde klap geven)
  15. iemand op de hak nemen (=iemand er tussen nemen (grap uithalen) of spottend over iemand praten)
  16. iemand in de tang nemen (=iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen. / Iemand in zijn macht hebben)
  17. de stoute schoenen aantrekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  18. tot moes slaan (=iets helemaal kapot slaan)
  19. naar de mutsaard rieken (=iets klopt zeer niet (mutsaard = brandstapel) / verdacht worden van ketterij)
  20. onbekend maakt onbemind (=iets wat nog onbekend is, kan ook niet geapprecieerd worden)
  21. iets zeggen om de kool (=iets zeggen voor de grap)
  22. goed gereedschap hangt onder een afdak. (=ik ben wel te dik maar mijn ‘gereedschap` (de penis) werkt nog goed.)
  23. ik ga horizontaal (=ik ga slapen)
  24. ik snap er geen biet van (=ik snap er niets van)
  25. op het glazen bruggetje geweest zijn (=in doodsgevaar zijn geweest, op het nippertje ontsnappen)
  26. en petit comité (=in een klein genootschap, in het geheim)
  27. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  28. aprilletje zoet, heeft nog wel eens een witte hoed (=in het begin (de hoed) van april kan het nog wel eens sneeuwen)
  29. wie olie meet wordt er vet van (=in slecht gezelschap wordt men slecht)
  30. zo vader, zo zoon (of: Zo moeder, zo dochter) (=kinderen erven de eigenschappen van hun ouders)
  31. je schrap zetten (=klaarmaken om de klap op te vangen)
  32. van een mooie / knappe tafel kun je niet eten. / Van een mooi bord kun je niet eten. (=knap van uiterlijk heeft ook wel eens nadelen.)
  33. een gat in de dag slapen (=lang doorslapen)
  34. je mond voorbij praten (=meer zeggen dan dat er gezegd mag worden en/of het verklappen van een geheim)
  35. het ligt aan de schaatsen en nooit aan de man. (=men geeft het gereedschap eerder de schuld dan zichzelf)
  36. de wereld wil bedrogen zijn. (=mensen trappen steeds weer in hetzelfde praatje)
  37. iemand in de boot nemen (=met iemand een grap uithalen)
  38. iemand in het ooitje nemen (=met iemand een grap uithalen of voor de gek houden)
  39. in het geweer (=onder de wapens / aan het werk)
  40. ervan tussen (=ontsnapt)
  41. op de eerste april zendt men de gekken waar men wil (=op 1 april worden grappen uitgehaald)
  42. door de mazen van het net glippen/kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  43. door het oog van de naald kruipen (=op het nippertje ontsnappen)
  44. er gloeiend bij zijn (=op heterdaad betrapt zijn)
  45. met een schone lei beginnen (=opnieuw mogen beginnen, zonder dat misstappen uit het verleden nog zichtbaar zijn)
  46. iemand op iets aankijken (=over een eigenschap of daad van iemand niet tevreden zijn)
  47. veel in huis hebben (=over veel capaciteiten beschikken)
  48. naar de Filistijnen (=reddeloos verloren / kapot)
  49. bij elkaar flansen (=samenrapen)
  50. als een marmot (=slapen als een marmot : diep, rustig)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen