126 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `Zie`
- geZien worden als een rotte appel/kool bij een fruitvrouw/groenvrouw (=er niet erg welkom zijn)
- groen Zien van jaloeZie (=heel jaloers zijn)
- het achterste van je tong (niet) laten Zien (=zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen)
- het daglicht niet kunnen verdragen/Zien (=iets wordt stiekem of oneerlijk gedaan)
- het gelaat is de spiegel der Ziel. (=je kan aan iemands` gezicht zien of hij een goed karakter heeft)
- het is de toon die de muZiek maakt (=het gaat om de manier waarop iets gezegd wordt)
- het levenslicht aanschouwen/Zien (=geboren worden)
- het licht doen Zien (=publiceren)
- het licht Zien (=1: begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep 2: geboren worden, ontstaan)
- het niet verZien hebben op (=niet goed kunnen verdragen)
- het oog Ziet altijd van zich af (=de eigen fouten ziet men niet, maar andermans fouten altijd wel)
- hoe hoger het hart, hoe lager de Ziel (uit het Fries) (=hoogmoed is het kenmerk van een dwaas)
- hoe meer Zielen, hoe meer vreugd (=hoe meer mensen er bij zijn, hoe leuker dat het is)
- horen Zien en zwijgen (=wel waarnemen, maar er verder niets van zeggen)
- iemand de hielen laten Zien (=inhalen of beter presteren dan de ander)
- iemand naar de ogen Zien (=proberen iemands` wensen te raden)
- iemand niet kunnen luchten of Zien (=een hekel aan iemand hebben)
- iemand of iets over het hoofd Zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet zien)
- iemand voor vol aanZien (=iemand serieus nemen en respecteren.)
- iemand Zien aankomen (=weten waar hij over zal beginnen, zich er alvast tegen wapenen)
- iets door de vingers Zien (=iets oogluikend toestaan)
- iets door een gekleurde bril Zien (=op een bevooroordeelde manier naar de zaak kijken)
- iets met lede ogen aanZien (=iets met tegenzin zien gebeuren)
- iets niet met droge ogen kunnen aanZien (=letterlijk: gaan huilen/tranen bij het zien gebeuren van iets)
- iets over het hoofd Zien (=iets vergeten of ontbreken)
- in geen velden of wegen te Zien zijn (=iets is helemaal nergens te vinden)
- in het veen kijkt/Ziet men niet op een turfje (=wie rijk is let niet op een euro meer of minder)
- in het viZier hebben (=in het oog hebben, binnen het gezichtsveld zijn)
- in hetzelfde gasthuis Ziek liggen (=aan dezelfde kwaal lijden)
- je hielen laten Zien (=weggaan)
- je pleZier niet opkunnen (=er veel plezier aan beleven)
- je tanden laten Zien (=tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn)
- je Ziel en zaligheid verkopen (=absoluut alles opofferen)
- je Ziel in lijdzaamheid bezitten (=gelaten het ongelijk verdragen)
- je Ziet eruit als een afgegoten patat (=katerig)
- kijken alsof je een geest Ziet (=verbaasd of geschrokken kijken.)
- kijken of men water Ziet branden (=heel erg verbaasd kijken)
- leeuwen en beren op de weg Zien (=bezwaren zien)
- liever iemand zijn hielen Zien dan zijn tenen (=iemand niet goed kunnen verdragen)
- liever van achteren Zien dan van voren (=niet goed kunnen verdragen)
- met de nek aanZien (=met minachting behandelen)
- met een goed geloof en een kurken Ziel drijft men de zee over (=met vertrouwen en optimisme kan men alles aan)
- met hart en Ziel (=met plezier en passie)
- met open viZier (=met eerlijke middelen)
- met zijn Ziel onder de arm lopen (=zich vervelen)
- moederZiel alleen (zijn) (=helemaal alleen (zijn))
- naar zijn hielen omZien (=aan vluchten denken)
- niet verder Zien/kijken dan je neus lang is (=niet goed nadenken wat de gevolgen van iets zijn)
- nog te beZien staan (=nog af te wachten zijn)
- onder ogen Zien (=inzien, aanvaarden)
191 betekenissen bevatten `Zie`
- er geen heil in zien (=er geen voordeel in Zien)
- er uitzien als melk en bloed (=er gezond uitZien)
- er uitzien als een parnas (=er goed uitZien)
- gezien mogen worden (=er goed uitZien)
- eruit zien om door een ringetje te halen (=er keurig uitZien)
- geen plaatje maken (=er niet geweldig uitZien)
- ergens gezien zijn als een rotte kool bij een groenvrouw (=er niet graag geZien zijn)
- aardappelbloed hebben (=er ongezond uitZien)
- er uitzien als de dood van Ieper (=er slecht uitZien)
- je plezier niet opkunnen (=er veel pleZier aan beleven)
- er muziek in zitten (=er veel van kunnen verwachten en/of pleZier van beleven)
- ergens met lood in de schoenen naar toe gaan (=er verschrikkelijk tegen opZien)
- een zwaar hoofd in iets hebben (=er weinig kans in Zien)
- er oren naar hebben (=er wel iets in Zien)
- het zal daar kluizen (=er zal hevige ruZie zijn)
- het zal er stinken/waaien (=er zal hevige ruZie zijn)
- van voren niet weten of men van achteren leeft (=erg dom zijn / erg Ziek zijn)
- beminnen als het licht van zijn ogen (=erg graag Zien)
- om van te kotsen (=erg lelijk, absoluut onpleZierig)
- in zijn sas zijn (=erg tevreden met iets zijn of pleZier met iets hebben)
- op voet van oorlog zijn/leven (=erge ruZie hebben)
- er een plasje overheen doen (=ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, dat wel duidelijk laat Zien dat de afzender iemand van belang is)
- ergens kind aan huis zijn (=ergens graag en vaak geZien zijn)
- ergens een potje kunnen breken (=ergens graag geZien zijn)
- iemand op zijn zeer trappen (=ergens over praten wat door iemand als erg onpleZierig ervaren wordt)
- een wig drijven tussen twee personen (=ervoor zorgen dat ze ruZie krijgen)
- je kan beter naar de bakker dan naar de apotheker gaan. (=eten is gezond, de apotheker bezoek je als je Ziek bent.)
- je ogen vertrouwen (=geloven wat men Ziet)
- Hollands welvaren (=gezegd van een zeer gezond uitZiend persoon)
- met de ogen verslinden (=heel erg graag Zien)
- in zijn laatste schoenen lopen (=het einde naderen - erg Ziek zijn)
- er voor tekenen (=het met pleZier willen aanvaarden)
- niemand genoemd, niemand gelasterd. (=het vermijden van het noemen van namen voorkomt onnodige ruZie)
- de kap aan de haag hangen (=het voor geZien houden)
- het is maar een strovuurtje (=het Ziet er erg uit, maar het is snel voorbij)
- haring of kuit ergens van willen hebben (=hij wil iets zeker weten of uitgezocht Zien)
- men zou hem een aalmoes geven (=hij Ziet er armoedig uit)
- het huilen staat hem nader dan het lachen (=hij Ziet er vooral de trieste kant van)
- hij zoekt zijn paard en hij zit er op (=hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen Ziet)
- er een handje van hebben (=hinderlijke gewoonte, als iemand de kans ergens toe Ziet die ook nemen, een ander het werk laten doen)
- elk ziet door zijn eigen bril (=ieder Ziet het op zijn eigen manier)
- iemand het brood uit de mond nemen/stoten (=iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorZien)
- iemand of iets over het hoofd zien (=iemand niet opmerken, vergeten met iemand of iets rekening te houden, iets niet Zien)
- iemand op de proef stellen (=iemand testen om te Zien of die te vertrouwen is of het aan kan)
- iemand de bons geven (=iemand waarmee je een relatie hebt niet meer willen Zien)
- zien eten doet eten. (=iemand Zien eten bevordert de eigen eetlust.)
- de kleren maken de man (=iemands kleding bepaalt het aanZien dat hij krijgt)
- de pret alleen hebben (=iemands pleZier bederven)
- iets voor zoete koek aannemen (=iets geloven wat je hoort of Ziet zonder kritisch te zijn.)
- een kat in de zak kopen (=iets kopen zonder het geZien te hebben - bedrogen worden)
50 dialectgezegden bevatten `Zie`
- de liefde ès blind, zaag te boer, en hae poende zë vêrkë (=als je van iemand houdt, Zie je zijn gebreken niet) (Munsterbilzen - Minsters)
- de liegs daste zwat wiës (=ik Zie het aan je ogen dat je liegt) (Bilzers)
- de rechterhaand maag niet wiet'n wat de linker dut (=doe wel en Zie niet om) (Westerkwartiers)
- de Zies bekans daaj hërre heile kroëm (=door de diepe decolleté Zie je bijna haar kruis) (Munsterbilzen - Minsters)
- den dien'n doar 'n Zie em oek nieëmer ang'n (zijne piemel) (=die man daar heeft een zeer dikke buik) (Waregems)
- dich hëbs zïëker stront èn zën ooge (=Zie je dat dan niet !) (Munsterbilzen - Minsters)
- die mooke zoe'k wel ne kier tege maane gielee wille trekke,
ze zoe 't maa nog meuge vroage mee en snak en een beete (=die vrouw Zie ik wel zitten!) (Gents)
- die Zieken Zie zijne peéren nogal (=die Zieke man Ziet af) (Sint-Niklaas)
- die zoe’t mê meun vroan mee ne snak in een beede (=die Zie ik wel.zitten) (Kaprijks)
- dieje Zie nog gruun achter zen oewere (=hij is er nog niet rijp voor) (Loois)
- Doar hèdde't al, tomme! (=Zie je nou wel, potverdorie!) (Helenaveens)
- doar Zie 'k teeg'n aan (=daar Zie ik tegenop) (Westerkwartiers)
- doar zit volg'ns mij wel muZiek ien (=daar Zie ik wel handel in) (Westerkwartiers)
- doë ès érmoei troef (=overal waar je kijkt Zie je misère) (Munsterbilzen - Minsters)
- doë hüb ich geen kompasse mèt (=daar Zie ik niet van op) (Munsterbilzen - Minsters)
- doe je neuze weg dak jn aonzichte Zie (=je hebt een grote neus) (Kortemarks)
- ê ge Zie guwder niet ! (=kijk eens hoe mooi !) (Kaprijks)
- ê ge Zie guwder niets! (=moet je nu eens kijken!) (Kaprijks)
- ë kreinke zoo dich nie misstoën (=je bent precies een heilige als ik je zo bezig hoor en Zie) (Munsterbilzen - Minsters)
- e vajt veirken Zie ni da e mauger onger eet (=iemand die het goed heeft Ziet niet dat een ander problemen heeft) (Nieuwerkerks)
- Eder puënt Zie vrouw op Zien meneer! (=Iedereen doet de dingen op zijn manier) (Steins)
- Ei stroent in joen oagen (=Zie je het niet) (Staens)
- ei Zie so roût as ne kalkoen (=hij heeft een heel rood gezicht) (Sint-Niklaas)
- ei Zie zènne pere nogal (=hij heeft veel pijn, Ziet erg af) (Sint-Niklaas)
- Ei Zie zwart van 't geld (=Hij is rijk) (Hansbeeks)
- Ein = Hein Zie Opm. Fint (='Fint en / of Elft verdwenen riviervis) (Bornems)
- ein zaade ga kwoad aup ma, ge za ga taug ma loetse (=ook al ben je kwaad, ik Zie je nog graag) (Gents)
- ene spierlink Zie (=graatmager zijn) (Vlijtingens)
- enne kop wie ein Zie höbbe (=last van het geheugen hebben) (Steins)
- Es de leefdje dun is zuus te de foute dik. (=Als de liefde dun is Zie je de fouten dik.) (Kinroois)
- flutla boem (=dat Zie je van hier (ga weg) ) (Antwerps)
- gaai Zie maai ni zitten ei (=jij moet me niet) (Antwerps)
- Gatj em moete Zie skofferdauën (=Je moest hem Zien weglopen / vluchten) (Liedekerks)
- gè è kattestront in ô ogen zeker? (=Zie je dat niet?) (Sint-Niklaas)
- ge mottum wa zout op z ne steert le-ge (=Zie hem te pakken te krijgen) (Oudenbosch)
- ge Zie goe dasse in poZiese is (=je Ziet goed dat ze in verwachting is) (Heist-op-den-Berg)
- ge Zie ne groîtn fiejasko (=je bent een mislukkeling) (Lichtervelds)
- ge Zie ne groîtn fiejasko (=je bent een misliukkeling) (Kortemarks)
- ge Zie ne groîtn zeero (=je bent een nietsnut) (Lichtervelds)
- ge Zie ne groîtn zeero (=je bent een nietsnut) (Kortemarks)
- ge Zie purper en bla van de ka (=je Ziet blauw van de kou) (Wichels)
- ge Zie t'èënt de meulestroade / tot an 't èëndeken (=je kan in haar decolleté kijken) (Kaprijks)
- ge Zie zeekre up je ne kop gevoln, ge Zie gie zeekre zot (=ben je gek) (Kortemarks)
- gèe knepke wjad Zie (=geen duit waard zijn) (Vlijtingens)
- gie Zie laat' up droai! (=u bent laat op stap!) (Ostêns)
- hae deut Zie bakkes oeëpe (=hij zegt iets) (Weerts)
- hè-s as un duuveltje in un duske, zôo Zie d-um èn zôo Zie d-um nie. (=hij is overal en nergens, je weet nooit waar hij is.) (Tilburgs)
- Heb mun ogen niet in mun zak zitten hoor ! (=Ik Zie alles goed.) (Utrechts)
- hëbste ne nauwe bril naudig ! (=Zie je dat dan niet!) (Munsterbilzen - Minsters)
- hëbste paajn on het lepke (=wat heb je aangevangen, ik Zie dat je een verband om je...hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
Bronnen
De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers.
Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.
Zie ook:
- vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
- Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen