Spreekwoorden met `haa`

Zoek


115 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `haa`

  1. aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
  2. aan de haal gaan (=ergens mee vandoor gaan)
  3. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  4. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  5. al is de leugen nog zo snel de waarheid achterhaalt haar wel (=leugens komen altijd uit)
  6. als er één schaap over de dam is, volgen er meer (=als één persoon iets nieuws geprobeerd heeft, durven anderen ook wel)
  7. als jut voor de haakmand staan (=beteuterd, triest)
  8. baat het niet, schaadt het niet (=iets kan helpen, maar als het niet helpt zal het geen problemen geven)
  9. bij Neck om naar Den haag (=een onnodige omweg maken)
  10. daar hangt de schaar uit (=men is daar niet te vertrouwen)
  11. daar is een haartje in de boter (=daar is ruzie of wrijving)
  12. dat haal je de koekoek (=mij niet gezien!)
  13. dat is een echte haai (=assertief en bijdehand mens)
  14. dat is nog geen haaienvin waard (=waardeloos)
  15. dat schaap zal een zachte dood nemen. (=het wordt vergeten)
  16. de fiets aan de haak hangen (=stoppen met wielrennen)
  17. de gebraden haan uithangen (=op onverantwoordelijke wijze erg veel geld uitgeven aan met name lekker eten en drinken)
  18. de haan en de vos hebben elkaar te gast (=twee bedriegers zijn steeds op hun eigen voordeel uit)
  19. de haan is de baas als de hen niet thuis is. (=de vrouw is de baas in huis, ook al vindt de man van niet)
  20. de kap aan de haag hangen (=het voor gezien houden)
  21. de kap over de haag smijten (=zijn priester- of kloostergelofte verbreken)
  22. de rode draad (in een verhaal of betoog) (=het centrale thema, hetgeen waar steeds weer op wordt teruggegrepen)
  23. de rode haan laten kraaien (=iets in brand steken)
  24. de tijd gaat snel, gebruik haar wel (=verspil nooit de tijd die je kan gebruiken)
  25. de vierschaar spannen. (=een rechtzitting houden. (vierschaar = middeleeuws gerechtelijk bestuur))
  26. die haalt de nieuwe aardappelen niet (=iemand die gauw zal gaan sterven)
  27. een draai aan het verhaal geven (=een hele eigen versie van wat er gebeurd is vertellen)
  28. een goede haan kraait nog wel eens weer. (=een goede leider waarschuwt meer dan eens)
  29. een haaienmaag hebben (=alles kunnen verorberen)
  30. een haar in de boter vinden/zoeken (=op het kleinste detail vitten)
  31. een haas is graag waar hij geworpen is. (=ieder wil graag zijn waar hij geboren is)
  32. een haastig woord is gauw gezegd. (=zeg geen dingen zonder eerst na te denken)
  33. een haastige hond werpt blinde jongen. (=te snel of impulsief handelen heeft slechte gevolgen)
  34. een knorhaan pikken (=een dutje doen)
  35. een oude zwaluw weet haar nest. (=oude mensen hebben veel levenservaring.)
  36. een rare schaats rijden (=zich raar aanstellen, lichtzinnig leven)
  37. een scheve schaats rijden (=een misstap begaan. Een morele regel overtreden)
  38. een schurftig schaap steekt de hele kudde aan (=een slechte persoon in een groep, maakt de hele groep slecht)
  39. een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg (=je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed)
  40. een stofje aan een weegschaal zijn (=iets erg onbelangrijks zijn)
  41. een vreemde schaats rijden (=zich raar aanstellen)
  42. een vrouwenhaar trekt sterker dan tien paarden. (=de invloed van een vrouw is zeer sterk)
  43. een wild haar in de neus hebben (=onbezonnen en wild zijn)
  44. een wolf in de schaapskooi. (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  45. een wolf in schaapskleren (=een gevaarlijk iemand die zich als onschuldig voordoet)
  46. eigen haard is goud waard (=het is nergens zo mooi als thuis / men hecht veel waarde aan het eigen bezit)
  47. er zal geen haan naar kraaien (=dat zal niemand te weten komen)
  48. geen haan die er naar kraait (=niemand zal het weten)
  49. geen haar op mijn hoofd die er aan denkt (=ik wil hiermee niet akkoord gaan)
  50. gekroesd haar, gekroesde zinnen (=vreemdelingen hebben andere zeden en gewoonten)

53 betekenissen bevatten `haa`

  1. benen maken (=(haastig) weggaan)
  2. als het niet gaat zoals het moet, dan moet het zoals het gaat (=als de ideale situatie niet haalbaar is, moet je je aanpassen aan de omstandigheden.)
  3. wee de wolf die in een kwaad gerucht staat (=als je je goede naam verliest is die haast niet terug te winnen)
  4. het is altijd koekoek éénzang (=altijd hetzelfde verhaal vertellen of zelfde voorbeeld geven)
  5. van wal steken (=beginnen met spreken, beginnen met een verhaal)
  6. de grond onder zich voelen wegzinken (=beschaamd zijn , geen oplossing meer zien)
  7. lege kisten, maken twisten. (=bij schaarste onstaat ruzie)
  8. zo rood worden als een kalkoense haan (=bloedrood worden (van schaamte))
  9. door de wol geverfd zijn (=brutaal , schaamteloos zijn)
  10. de broek aan hebben (=de baas spelen (van een vrouw over haar man), het voor het zeggen hebben)
  11. de draad kwijt zijn (=de loop van het verhaal niet meer kunnen volgen)
  12. de mug uitzuigen en de kameel doorzwelgen (=de onschuldige straffen en zelf schaamteloos zondigen)
  13. de knoop doorhakken (=een beslissing forceren. (Afgeleid van het verhaal van de Gordiaanse knoop))
  14. de vierschaar spannen. (=een rechtzitting houden. (vierschaar = middeleeuws gerechtelijk bestuur))
  15. een broodje aap (=een verzonnen verhaal dat als waarheid wordt verspreid.)
  16. ieder kwartier heeft zijn manier. (=elke streek heeft haar eigen gebruiken)
  17. je de ogen uit het hoofd schamen (=erg beschaamd zijn)
  18. een tong als een scheermes (=gezegd van iemand die venijnig uithaalt met woorden)
  19. wat goed eet, schijt goed. (=gezond eten laat het lichaam goed functioneren.)
  20. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  21. op je dooie gemak (=heel rustig, zonder zich te haasten)
  22. de keel kost veel (=herhaalde dronkenschap leidt tot armoede)
  23. de rijpste pruimen zijn geschud (=het belangrijkste werk is gedaan of grootste deel van de oogst is binnengehaald)
  24. op is de koek, en weg zijn de dubbeltjes (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  25. de koek is op (=het maximaal haalbare is bereikt, meer zit er niet in)
  26. de kop van jut (=het slachtoffer, het zwarte schaap)
  27. iemand wel achter het behang kunnen plakken (=iemand heel vervelend vinden, waardoor je het liefst even helemaal niets meer met hem of haar te maken zou willen hebben)
  28. kroes haar kroeze zinnen (=iemand met gekruld haar is wispelturig)
  29. iemand beest maken (=kaartspel : zorgen dat iemand geen enkele slag haalt)
  30. voor de draad ermee (=kom tot de kern van het verhaal.)
  31. voor stoelen en banken praten (=maar weinigen die naar iemands verhaal luisteren)
  32. iemands hete adem in je nek voelen (=merken dat een ander je bijna inhaalt; opgejut of opgejaagd worden)
  33. de lat hoog leggen (=moeilijk haalbare doelen stellen)
  34. uit het lood (staan) (=niet recht of haaks staan)
  35. morgen komt er weer een dag (=niet zo haastig, morgen kan het ook nog)
  36. een stalen voorhoofd hebben (=onbeschaamd zijn)
  37. zonder blikken of blozen (=onbeschaamd, zonder zich iets van anderen aan te trekken)
  38. op hete/gloeiende kolen zitten (=ongeduldig wachten / veel haast of spanning hebben)
  39. nattevingerwerk zijn / Met de natte vinger doen (=onnauwkeurig, overhaast of zonder de geschikte methode of middelen uitgevoerd werk)
  40. op de eerste april zendt men de gekken waar men wil (=op 1 april worden grappen uitgehaald)
  41. loco citato (=op de aangehaalde plaats)
  42. malletje naar malletje (=op precies dezelfde wijze herhaald)
  43. voor zijn roodkoperen zijn (=oud haags voor: Alles is piekfijn in orde)
  44. wie niet omziet is haast teniet (=overhaastig werken leidt tot ongelukken)
  45. Rome is niet in één dag gebouwd (=relativeren: Leer geduld te hebben, overhaast niets)
  46. van de hak op de tak springen (=steeds weer van onderwerp wisselen en geen duidelijke rode draad in een verhaal hebben)
  47. je moet een paard niet doodknuppelen, voordat je thuis bent. (=te veel haast kan wel eens vertraging opleveren)
  48. een roze bril op hebben (=verliefd op iemand zijn en hierdoor zijn/haar mindere kanten niet zien)
  49. uit het jaar nul (=volkomen ouderwets, achterhaald, uit de mode)
  50. zuivel op zuivel is voer voor de duivel (=werd gezegd als je te veel zuivel at terwijl het schaars was)

19 dialectgezegden bevatten `haa`

  1. e gat is e gat zeite boer en haa poepte zaan veireke (=een achterwerk is een achterwerk zei de landbouwer, en hij vrijde met zijn varken) (herenthouts)
  2. haa hei ze ni alle vaaf / haa is een vaas kwaat (=Hij heeft ze niet alle vijf) (Sint-Katelijne-Waver)
  3. haa heiged zitte haa heiged aan zaan fles (=Hij heeft het zitten..hij is het slachtoffer) (Sint-Katelijne-Waver)
  4. haa is het ni weit (=Hij is het niet waard) (Sint-Katelijne-Waver)
  5. haa is moa ne scheet groët (=Hij is maar klein) (Hulshouts)
  6. haa is mojjenoks (=Hij is naakt) (Aarschots)
  7. haa is onder nen otto geloëpe (=hij is overreden) (Hulshouts)
  8. haa lee onder de grien sezze (=hij is begraven) (Hulshouts)
  9. haa Mia kaa? Mia haa kaa. Boe haa Mia kaa? Mia bra kaa ! (=Mia had het nogal koud) (Genker)
  10. haa moe ni gezopen hemme oem comik te doen (='t is ne zeveraar) (Brussels)
  11. haa naa je moeder en pis de (=bock op) (Zeeuws)
  12. haa sloagt da ni goa (=hij draagt er geen zorg voor) (Westels)
  13. haa verkeupt nogal veul zjaar. (=Hij is een opschepper.) (Aarschots)
  14. haa zét zaan sirein oep (=Een kind dat begint te wenen) (Sint-Katelijne-Waver)
  15. Ich hââ mich koêne verduume (=Ik had me kunnen verwensen) (Walshoutems)
  16. mie aa kaa, mie haa braa kaa. (=mie had het koud, mie had het heel koud) (Niels)
  17. Mie haa kaa Mie haa braa kaa (=Maria had het koud Maria had het heel koud) (Sint-Katelijne-Waver)
  18. ne boer scheet ne platte en haa wist nie van watte (=vragende uitroep wat ...wat . Antwoord) (hessels)
  19. Op Stad haa ze waal un aep lêre bidde (=Niets in onmogelijk) (flakkees)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen