Spreekwoorden met `TR`

Zoek


215 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `TR`

  1. a conTRecoeur (=met tegenzin)
  2. aan de bel TRekken (=duidelijk maken dat er iets aan de hand is; duidelijk maken dat er iets niet klopt)
  3. aan de rem TRekken (=een ontwikkeling proberen tegen te houden/ waarschuwen dat iets niet goed gaat)
  4. aan de sTRijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  5. aan de touwtjes TRekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  6. aan een dood paard TRekken. (=je inspannen voor iets, dat tot mislukken gedoemd is)
  7. aan een touw TRekken (=eensgezind optreden)
  8. aan het kortste eind TRekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  9. aan het langste eind TRekken (=in de voordeligste positie zijn)
  10. aan je palen TRekken (=zonder mededeling inpakken en wegwezen)
  11. aan zijn TRekken komen (=krijgen wat diegene graag wilt en fijn/leuk vindt)
  12. achter de TRalies (=opgesloten)
  13. al etende krijgt men TRek / honger. (=al etende krijgt men steeds meer trek (ook figuurlijk).)
  14. al zijn paTRonen verschieten (=alle mogelijkheden uitproberen)
  15. alle registers openTRekken (=z`n uiterste best doen)
  16. als David zijn volk telde verloor hij de sTRijd (=tel de winst pas uit bij het einde van de strijd)
  17. als de dagen lengen begint de winter te sTRengen. (=wanneer de dagen korter worden komt de winter eraan)
  18. als de dagen lengen, gaan de nachten sTRengen (=het koudste deel van de winter valt na de kortste dag)
  19. als door een repel geTRokken (=zeer mager)
  20. als men van de duivel spreekt TRapt men hem op zijn staart (=degene waarover men spreekt, laat zich dikwijls op dat moment zien)
  21. appelen/knollen voor ciTRoenen verkopen (=oplichten, bedriegen)
  22. appels voor ciTRoenen verkopen (=iemand oplichten.)
  23. bederf geen sTRuif om een ei (=je moet het geheel niet afkeuren voor één gebrek)
  24. bij elkaar passen als twee TRommelstokken (=goed bij elkaar passen)
  25. buurmans leed TRoost (=door het verdriet of de pijn van een ander kun je je eigen verdriet en pijn beter verdragen)
  26. conTRa rationem (=strijdig met de rede) (Latijn)
  27. daar groeit het gras in de sTRaten (=daar is het erg saai)
  28. dat kan Bruin(tje) niet TRekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor trekpaarden))
  29. dat kan het paard niet TRekken. (=daar heb ik onvoldoende geld voor)
  30. dat raak je aan de sTRaatstenen niet kwijt (=dat is niet te verkopen)
  31. de derde sTReng houdt de kabel. (=alle goede dingen bestaan in drieën)
  32. de hand over zijn hart sTRijken (=voor één keer toestaan)
  33. de handen van iemand afTRekken (=iemand niet langer steunen)
  34. de haren uit het hoofd TRekken (=enorm veel spijt hebben)
  35. de koe TRekt de melk op. (=je krijgt niet wat je verwachtte)
  36. de lijn TRekken (=luieren, niet voort werken)
  37. de melk opTRekken (=je woord terugnemen, je belofte niet helemaal vervullen)
  38. de neus opTRekken (=duidelijk maken dat men iets of iemand niet waardeert)
  39. de plooien glad sTRijken (=de ruzie bijleggen)
  40. de regels met voeten TReden (=overtreden, voorschriften niet opvolgen / onbehouwen te werk gaan)
  41. de rubicon overTRekken (=de beslissende stap ondernemen)
  42. de slagpen uitTRekken (=van zijn macht beroven)
  43. de stoute schoenen aanTRekken (=iets doen wat moed vergt. (`stout` in de oude betekenis van `dapper`))
  44. de stoute schoenen aanTRekken. (=een uitdaging aangaan)
  45. de sTRop om de hals doen (=iemand in uiterste problemen brengen)
  46. de TRamontane kwijt zijn (=het spoor bijster zijn)
  47. de TRoffel in de kalkbak gooien (=zijn beroep opgeven en van zijn rente gaan leven)
  48. de TRom roeren (=veel ophef maken)
  49. de vlag sTRijken (=het opgeven)
  50. de vlag voor iemand sTRijken (=voor iemand onderdoen, zijn meerdere erkennen)

279 betekenissen bevatten `TR`

  1. de oude mens afleggen (=(en de nieuwe aanTRekken) een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  2. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis verTRekken)
  3. haarscherp (=(van een afbeelding) geTRouw tot in fijne details)
  4. buiten spel blijven (=(willen) proberen niet beTRokken te zijn)
  5. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de sTRijd aan (te) binden)
  6. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in verTRouwen) vertellen)
  7. al etende krijgt men trek / honger. (=al etende krijgt men steeds meer TRek (ook figuurlijk).)
  8. het lood al in de bil hebben (=al gesTRaft zijn voor iets. (geschoten zijn met een loden kogel))
  9. je hebben en houwen verliezen (=alles wat iemand bezit kwijTRaken)
  10. de ratten verlaten het zinkende schip (=als de omstandigheden verslechteren denken sommigen alleen aan zichzelf en verTRekken)
  11. je kan niet alle meisjes haten om één (=als je bent geTRouwd wilt dat niet zeggen dat vrouwen je niet meer interesseren)
  12. wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het meest (=als je ergens nauw bij beTRokken bent, geniet je het meeste voordeel ervan)
  13. meeuwen op het land, onweer aan het strand. (=als meeuwen het binnenland inTRekken omdat er slecht weer op zee is)
  14. iemand in de buik straffen. (=als sTRaf geen eten geven.)
  15. twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen (=als twee personen van een verschillend geloof TRouwen, gaat het zelden goed)
  16. wanneer twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen (=als twee sTRijdende personen of partijen zich richten op elkaar, kan een ander daarvan profiteren door zich datgene toe te eigenen waar om gesTReden wordt)
  17. als jut voor de haakmand staan (=beteuterd, TRiest)
  18. op heterdaad betrappen (=beTRappen tijdens de misdaad)
  19. in de val lopen (=beTRapt worden)
  20. tegen de lamp lopen (=beTRapt/gesnapt worden)
  21. ons kent ons (=beTRekkelijk afgesloten clubje mensen dat onderling de zaken regelt)
  22. van luie Kees (=bijzonder TRaag)
  23. wie de teugel slap laat hangen, kan met een mak paard nog op hol raken. (=blijf altijd aandachtig en geconcenTReerd)
  24. dat zal mij een zorg wezen (=daar TRek ik me niets van aan)
  25. die molen maalt langzaam (=dat gaat TRaag)
  26. dat is een stuk! (=dat is een aanTRekkelijk persoon)
  27. dat is een paard van een daalder. (=dat is een TRots mens)
  28. dat gaat je niet in de kouwe/koude kleren zitten (=dat is heel ingrijpend. Daar ben je niet snel overheen (bijvoorbeeld een TRaumatische ervaring))
  29. dat kan Bruin(tje) niet trekken (=dat kunnen we ons niet veroorloven (afgeleid van een populaire naam voor TRekpaarden))
  30. veel bekijks hebben (=de aandacht TRekken)
  31. in het oog springen/vallen (=de aandacht TRekken)
  32. de touwtjes in handen hebben (=de conTRole hebben over een situatie.)
  33. het stuur kwijt zijn (=de conTRole verloren hebben)
  34. als de vis goedkoop is stinkt ze (=de herkomst ergens van is niet te verTRouwen)
  35. de krenten uit de pap halen (=de meest aanTRekkelijke gedeelten voor zichzelf bestemmen, bijvoorbeeld de meest interessante taken uit een omvangrijk werk)
  36. door de bril van een ander zien (=de mening van een ander blind verTRouwen)
  37. op de pianist schieten (=de onschuldige (de brenger van het nieuws) sTRaffen)
  38. de mug uitzuigen en de kameel doorzwelgen (=de onschuldige sTRaffen en zelf schaamteloos zondigen)
  39. genade voor recht laten gelden (=de sTRaf kwijtschelden)
  40. de bijl ligt al aan de wortel (=de sTRaf zal spoedig volgen)
  41. in het krijt treden (=de sTRijd aanbinden)
  42. de degens kruisen (=de sTRijd aangaan)
  43. in het strijdperk treden (=de sTRijd aanvatten)
  44. de dans om het gouden kalf (=de sTRijd om rijk te worden)
  45. het krijt ruimen (=de sTRijd opgeven, weggaan)
  46. het water komt op de dijk. (=de TRanen komen op)
  47. lik op stuk (=direct afsTRaffen)
  48. de geest is uit de fles (=dit is niet meer conTRoleerbaar)
  49. dit loopt uit de hand (=dit is niet meer onder conTRole)
  50. een beentje lichten (=doen sTRuikelen (letterlijk of figuurlijk))

5 dialectgezegden bevatten `TR`

  1. edder veul motte laote snokke? (bij de Gud aon ut spoor 1950 ) (=heb je veel tanden moeten laten TR ekken?) (Oudenbosch)
  2. Ge meug TR preus ip zin. (=Je mag er TRots op zijn.) (Kortrijks)
  3. j' ee ' TR bek ip (=hij is er belust op) (Harelbeeks)
  4. Kiek’ TR maor us waer achterhen. (=Kom nog maar eens weer.) (achterhoeks)
  5. tes TR weer balsampetter (=er is weer ruzie) (Wesdurps)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen