Spreekwoorden met `handel`

Zoek

Eén spreekwoord bevat `handel`

  1. als hamerstuk behandelen (=het voorstel zonder discussie aannemen)

33 betekenissen bevatten `handel`

  1. wie appelen vaart, die appelen eet (=als je handelt in bepaalde goederen, dan zul je deze zelf waarschijnlijk ook gebruiken. / Iemand die bepaalde werkzaamheden voor een ander moet verrichten, geniet daar doorgaans zelf ook van)
  2. goed voorgaan doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  3. goed voorbeeld doet goed volgen (=als je zelf op de goede manier handelt, nemen anderen dat vanzelf over)
  4. geef het veulen geen haver en het kind geen brandewijn. (=behandel kinderen niet als grote mensen)
  5. beter blooie Piet dan dooie Piet (=beter een aarzelend iemand dan iemand die ondoordacht handelt)
  6. je trekken thuis krijgen (=door anderen op dezelfde manier behandeld worden als je hun behandelde (bv met een streek))
  7. een gat in de lucht slaan (=een onnozele handeling doen)
  8. ergens als kind in huis zijn (=ergens bekend of goed behandeld worden)
  9. gelijke monniken gelijke kappen (=gelijke mensen verdienen/krijgen een gelijke behandeling)
  10. zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet (=handel voorzichtig, dan mislukt het niet)
  11. de dorsende os zult gij niet muilbanden (=iemand die voor je werkt moet je goed behandelen)
  12. iemand onder handen nemen (=iemand flink aanpakken / mishandelen)
  13. iemand een loer draaien (=iemand lelijk behandelen, lelijk te grazen nemen)
  14. iemand achter de bank schuiven (=iemand minachtend behandelen)
  15. wie tapt die moet boren (=men moet de gevolgen van zijn handelen dragen)
  16. dieven met dieven vangen (=mensen die niet eerlijk zijn of gemeen, moet je op dezelfde manier ook behandelen)
  17. de violen stemmen (=met elkaar onderhandelen, naar compromissen zoeken)
  18. met de nek aanzien (=met minachting behandelen)
  19. te goeder trouw (=naar beste weten en eerlijk handelend)
  20. binnen de lijntjes kleuren (=netjes handelen, niets doen wat niet mag)
  21. alle vis is geen bakvis (=niet alles is even dienstig (of handelbaar of lekker))
  22. verstand op nul zetten (=niet nadenken en gewoon handelen.)
  23. te kwader trouw (=onbetrouwbaar, oneerlijk handelend)
  24. met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden (=op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden)
  25. aan de Turken overgeleverd zijn (=slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden)
  26. je pijlen verschieten (=te snel handelen)
  27. een haastige hond werpt blinde jongen. (=te snel of impulsief handelen heeft slechte gevolgen)
  28. een nummer zijn (=van weinig betekenis zijn of althans zo behandeld worden)
  29. naar de bekende weg vragen (=vragen naar hetgeen men al weet / Overbodig handelen)
  30. die wel doet, wel ontmoet. (=wie anderen goed behandelt, kan zelf goede behandeling verwachten.)
  31. wie zich voor hond verhuurt, moet de botten kluiven (=wie zich onderdanig gedraagt, wordt als knecht behandeld)
  32. een paard met een zachte mond moet men met zachte toom besturen. (=zachtaardige mensen moet men niet streng behandelen)
  33. op eieren lopen (=zeer voorzichtig handelen)

13 dialectgezegden bevatten `handel`

  1. `dao gieët niks bove d'n hândel` zag Geel en hae ging met twieë hieringe nao Beul (=handel die niet loont) (Weerts)
  2. 'n mens moet doen wat 'er leert het (=handel maar naar eigen inzicht) (Westerkwartiers)
  3. de kemérs geet aateraut; bergaof; slabak (=de handel valt stil) (Bilzers)
  4. doar zit volg'ns mij wel muziek ien (=daar zie ik wel handel in) (Westerkwartiers)
  5. doar zit wel meziek ien (=daar zit wel handel in) (Westerkwartiers)
  6. doe ol daje kuint (=handel naar best vermogen) (Waregems)
  7. een klapper maken (=je slag slaan in de handel) (Bargoens)
  8. hij gijt de boer op met zien handeltje (=hij gaat met zijn handel op pad) (Westerkwartiers)
  9. men mót mèt vraemdje hanjele en mèt vrinj gaon wanjele (=handel drijven met vrienden of bekenden geeft problemen) (Heitsers)
  10. Morgenster (=Iemand die s'morgens vroeg de vuilniszakken openmaakt opzoek naar handel) (Amsterdams)
  11. niks gieët bove d'n hândel zag Geel en hae ging met twieë hieringe nao Beul (=grootspraak) (Weerts)
  12. vrolaaj blaut, këmêrs daud ! (=als het te warm wordt, valt de handel stil) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. Vrouwen bloot handel dood (=Product levert niets op met zonnig weer) (Westlands)


Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen