Spreekwoorden met `ś`

Zoek


3292 spreekwoorden en uitdrukkingen bevatten `ś`

  1. `s Lands wijs, `s lands eer (=ieder volk is gehecht aan zijn eigen gewoonten, hoewel anderen ze maar raar vinden)
  2. `t Is gelijk of men van/door de kat of de kater/hond gebeten wordt (=het maakt niet uit hoe of waardoor je benadeeld bent geweest)
  3. `t Moet al een ruige hond wezen, die twee nesten warm houden kan (=alleen een rijke man kan er een tweede vrouw op na houden)
  4. á propos! (=voor ik het vergeet)
  5. aal is geen paling (=het mindere is niet gelijk aan het meerdere)
  6. aan alle kapelletjes aanleggen (=alle cafés onderweg bezoeken)
  7. aan alles een kleurtje weten te geven (=voor alles wel een uitleg weten)
  8. aan Bacchus offeren (=te veel alcoholhoudende drank nuttigen)
  9. aan de balk schrijven (=nota nemen van iets ongewoons)
  10. aan de bedelstaf raken (=in een situatie terechtkomen waarin je geen geld of bezittingen meer hebt)
  11. aan de ene voet een schoen, de ander blootvoets (=evenwicht is voornaamst)
  12. aan de haak slaan (=te pakken krijgen)
  13. aan de lus hangen (=recht blijven staan in tram of bus)
  14. aan de rand van het graf staan (=bijna dood zijn)
  15. aan de rand van het ravijn bloeien de mooiste bloemen (=de beste resultaten dragen tegelijkertijd de grootste risico`s)
  16. aan de scharrel zijn (=verkeren zonder verloofd of getrouwd te zijn)
  17. aan de schors blijven hangen (=iemand of iets alleen op het uiterlijk beoordelen)
  18. aan de slag gaan (=beginnen te werken, starten)
  19. aan de strijkstok blijven hangen (=geld dat aan een goed doel wordt besteed verdwijnt voor een groot deel bij mensen die oneerlijke onkosten maken)
  20. aan de touwtjes trekken (=de baas zijn, alles regelen, het voor het zeggen hebben)
  21. aan de vishaak bijten (=zich laten vangen, toehappen)
  22. aan dovemans deur kloppen (=vragen terwijl men geen gunstig antwoord hoeft te verwachten)
  23. aan een balk, die uit het bos gehaald wordt, moet veel gehakt worden, voor hij in het huis past (=in een religieuze groep, vereniging, etc,: je kunt leden uit een gemeenschap winnen, maar hun moet wel geleerd worden zich aan te passen)
  24. aan een boom zo vol geladen, mist men een twee pruimpjes niet (=als er van iets grote hoeveelheden zijn, kan er wel wat gemist worden)
  25. aan een klein vogeltje past geen grote bek. (=kinderen moeten gehoorzamen)
  26. aan een oud dak moet je veel herstellen (=verouderde zaken vergen nu eenmaal onderhoud)
  27. aan een stuk door (=ononderbroken)
  28. aan elkaar hangen als droog zand (=geen enkele samenhang vertonen)
  29. aan elke goede visser ontsnapt wel eens een aal (=iedereen maakt wel eens een foutje)
  30. aan het (sleep)touw houden (=bezig houden / aan het lijntje houden)
  31. aan het kortste eind trekken (=in de ongunstigste positie zijn / verliezen)
  32. aan het langste eind trekken (=in de voordeligste positie zijn)
  33. aan het lijf schieten (=haastig aantrekken (kleding))
  34. aan het roer zitten/staan (=de leiding hebben)
  35. aan het verstand brengen (=duidelijk maken)
  36. aan iemands leiband (=door iemand geleid)
  37. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  38. aan iemands voeten liggen (=iemand vereren, een absolute fan van iemand zijn)
  39. aan iets blijven hangen (=ergens verstrikt in raken, ermee bezig blijven)
  40. aan mijn lijf geen polonaise (=van mij moet je afblijven)
  41. aan zijn eerste leugen niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen zijn (=een grote leugenaar zijn)
  42. aan zijn eindje vasthouden (=zijn standpunt handhaven)
  43. aan zijn neus hangen (=hem inlichten)
  44. aan zijn snoer rijgen (=tot volgeling maken)
  45. aap wat heb je mooie jongen spelen (=overdreven vriendelijk zijn)
  46. aardewerk is geen paardenwerk. (=graven of in aarde werken is een vermoeiende bezigheid)
  47. acht is meer dan duizend (=voorzichtig zijn is het belangrijkste. (woordspeling: acht=`let op` niet `8`))
  48. acht slaan op iets (=ergens goed op letten)
  49. achter de coulissen kijken (=de echte toestand zien (ontdekken))
  50. achter de gordijntjes smullen (=in stilte opeten)

3730 betekenissen bevatten `ś`

  1. distels trekken is distels stekken (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
  2. distels breken is distels kweken (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
  3. distels maaien is distels zaaien (=`maar distels laten staan, is distels laten vergaan`)
  4. de vaan van de opstand planten (=`n opstand verwekken)
  5. de morgen doet het werk. (=`s morgens ben je het productiefst)
  6. van de nacht een dag maken (=`s nachts werken)
  7. de oude mens afleggen (=(en de nieuwe aantrekken) een nieuw leven beginnen - beterschap beloven)
  8. benen maken (=(haastig) weggaan)
  9. de wijde wereld ingaan/intrekken (=(onbezorgd) op reis vertrekken)
  10. naar iemands pijpen dansen (=(onderdanig) alles doen wat iemand vraagt)
  11. de baron spelen (=(onterecht) baas spelen)
  12. een groentje zijn (=(ook: Groen als gras zijn. ) Ergens nog geen ervaring mee hebben)
  13. op de vingers kijken (=(Op een vervelende manier) scherp toezien hoe iemand iets doet, zodat elke fout direct opgemerkt wordt)
  14. in de schoenen schuiven (=(vaak onterecht) beschuldigen)
  15. haarscherp (=(van een afbeelding) getrouw tot in fijne details)
  16. het smelt als boter in de mond (=(van eten) het is erg mals)
  17. het zwaard aangorden (=(zich klaarmaken om) de strijd aan (te) binden)
  18. het licht zien (=1: begrijpen wat men daarvoor nog niet begreep 2: geboren worden, ontstaan)
  19. er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan (=aan alles komt een einde)
  20. wat de heren wijzen moeten de gekken prijzen (=aan beslissingen van het hoger gezag moet men zich onderwerpen)
  21. op kop staan (=aan de leiding staan)
  22. aan de vruchten kent men de boom (=aan de nakomelingen kent men de ouders)
  23. aan het lijntje hebben/houden (=aan de praat houden /  beloven, maar steeds weer uitstellen)
  24. de handen uit de mouwen steken (=aan de slag gaan en aanpakken)
  25. voor de ganzen preken (=aan dovemans oren zeggen)
  26. as is verbrande turf (=aan een belofte (as = als) heb je niets)
  27. aan de lopende band (=aan één stuk door; steeds maar weer)
  28. tegen de klippen op gaan (=aan een stuk doorgaan (met liegen))
  29. lapsus memoriae (=aan het geheugen ontsnapt)
  30. bakkerskinderen eten oud brood. (=aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.)
  31. over de drempel komen (=aan huis komen)
  32. niet in iemands schaduw kunnen staan (=aan iemand absoluut niet kunnen tippen)
  33. je hart uitstorten (=aan iemand alles (in vertrouwen) vertellen)
  34. bij iemand in het krijt staan (=aan iemand iets schuldig zijn)
  35. het land aan iets hebben (=aan iets een hekel hebben)
  36. een kleine aardappel moet je niet schillen (=aan mensen die weinig geld hebben, moet je niet veel geld vragen)
  37. van een mooi bord kun je niet eten (=aan uiterlijk alleen heb je niets)
  38. in zijn eigen vet gaar koken (=aan zijn lot overlaten (iemand die iets misdaan heeft))
  39. op de grote trom slaan (=aandacht proberen te krijgen voor diens zaak)
  40. aan iemands lippen hangen (=aandachtig luisteren)
  41. het oor scherpen/spitsen (=aandachtig luisteren)
  42. aan de voeten van Gamaliël zitten (=aandachtig luisteren naar de les die een wijs persoon meegeeft)
  43. kinderen die zwijgen zullen ook nooit wat krijgen (=aanvulling op `Kinderen die vragen worden overgeslagen.`)
  44. werelds goed is eb en vloed (=aardse goederen komen en gaan)
  45. je ziel en zaligheid verkopen (=absoluut alles opofferen)
  46. zo welkom als een hond in de keuken (=absoluut niet welkom)
  47. op een letter doodblijven (=absoluut niets veranderd willen zien)
  48. zo zeker als tweemaal twee vier is (=absoluut zeker)
  49. van achteren kijkt men de koe in zijn gat (=achteraf is het makkelijk kritiek geven)
  50. achterna kakelen de kippen (=achteraf is het makkelijk kritiek geven)

50 dialectgezegden bevatten `ś`

  1. 'k ee 't s (w) ondre (=ik vraag mij af) (Waregems)
  2. ' s laands wies, ' s laand eer (=elke streek heeft zijn gewoontes) (Westerkwartiers)
  3. a s den bliksem aa koamer prauper moake (=maak dat je kamer proper is) (Leefdaals)
  4. A-j ' s avens vissen willen, mu-j ' s mannens de netten dreugen (=Tijdig je regelingen treffen) (Nunspeets)
  5. a't aj brek zu'j s zeen wo steenkn (=als die opzet mislukt komt er wat los) (Rijssens)
  6. As die nog s wijs wordt is ie weer gek van blijdschap (=Hij is gek) (Leids)
  7. da s een eihenaardehe krotekoker (=rare man) (Zeeuws)
  8. dà s krek wà k wou (=dat is precies wat ik wilde) (Sliedrechts)
  9. da s me n hoeien (=goedkeurend) (Zeeuws)
  10. da s un mihher (magere) hie -epe (=mager) (Zeeuws)
  11. da s zo n nochter vat / (verken) (=dat is een rare) (Zeeuws)
  12. Da s zoe langk as t bried es (=Dat is zo breed als het lang is) (Koersels)
  13. da' s ' em met de paplebel iengoot' n (=dat is hem van jongs af aan geleerd) (Westerkwartiers)
  14. da' s ' n echt nufke (=dat is een eigenwijs meisje) (Westerkwartiers)
  15. da' s ' n grieze muus (=van zoiemand gaan er dertien in een dozijn) (Westerkwartiers)
  16. da' s ' n lust veur ' t oog (=dat is prachtig om te zien) (Westerkwartiers)
  17. da' s ' n mooi plakje (=dat is een mooi plekje) (Westerkwartiers)
  18. da' s ' n mooiproader (=dat is een echte vleier) (Westerkwartiers)
  19. da' s ' n wazz' n neus (=dat stelt niets voor) (Westerkwartiers)
  20. da' s ' n zwienevanger (=dat is iemand met o-benen) (Westerkwartiers)
  21. da' s bij de wille knien' n om oaf (=dat is bij de beesten af) (Westerkwartiers)
  22. da' s d' r nog over van ' n lösbandeg leev' m (=er is nog maar weinig geld overgebleven) (Westerkwartiers)
  23. Da' s de pad op zeven (=Verkeerd rijden, via en omweg iets bereiken) (Zeeuws)
  24. da' s doed gaan (=dat is dood gaan) (Antwerps)
  25. da' s e fleutsje van ne sengt (=dat is eenvoudig) (Antwerps)
  26. Da' s geloëge! Dat liegste! (=Dat is een leugen!) (Bilzers)
  27. da' s heur met de paplebel iengoot' n (=dat is haar van kindsbeen af geleerd) (Westerkwartiers)
  28. da' s hiel (heul) aans (=dat is heel anders) (Westerkwartiers)
  29. Da' s iet van keskeschiet (=Dat is iets van niets) (Turnhouts)
  30. da' s kant ' n oarigheid (=dat is heel leuk) (Westerkwartiers)
  31. da' s kei brut (=iets supercool) (Heist-op-den-Berg)
  32. Da' s krek wa' k wou (=Dat is precies wat ik wilde) (Nijmeegs)
  33. da' s lood om old iezer (='t ene is niet beter dan 't andere) (Westerkwartiers)
  34. da' s loopjes waark (=dat gaat in de loop weg mee) (Westerkwartiers)
  35. da' s ma proveswaar (=voorlopige oplossing) (Hulshouts)
  36. Da' s maor n bitje van Sint-Anna (=je aanstellen, huilen met krokodillentranen) (Zeeuws)
  37. da' s moar ' n beedje ien ' n anner flanst (=dat zit niet goed inelkaar) (Westerkwartiers)
  38. da' s moar ' n soam' nroapsel (=dat is maar een bijelkaar gezocht spul) (Westerkwartiers)
  39. da' s monnik' nwaark (=dat is een klus die veel tijd vergt) (Westerkwartiers)
  40. da' s mosterd noa de moaltied (=die hulp komt te laat) (Westerkwartiers)
  41. da' s na wel muug veel (=Dat is nu wel heel veel) (Antwerps)
  42. da' s nou ' n schoolveurbeeld (=dat is nou een sprekend voorbeeld) (Westerkwartiers)
  43. Da' s nun oarige (=Dat is een rare) (Prinsenbeeks)
  44. da' s ofgezoagd (=dat weten we nu wel) (Westerkwartiers)
  45. da' s van ' e boov' mste plaank (=da's echt top!!) (Westerkwartiers)
  46. da' s veur dij ' n vroag en veur mij ' n wiet (=wat jij graag wilt weten weet ik) (Westerkwartiers)
  47. da' s wa ' n skier wichke (=Dat is een mooi meisje) (Twents)
  48. da' s zo kloar as kovviedik (=dat is heel onduidelijk) (Westerkwartiers)
  49. da' s zo kloar as wat (=dat is zo duidelijk als maar kan) (Westerkwartiers)
  50. das s maat en pinte (=vrienden) (Zeeuws)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen