Spreekwoorden met `wat`

Zoek


50 dialectgezegden bevatten `wat`

  1. de bès genen iëzël aste niks kins, de bès toch nen iëzël aste niks leire wilts (=met wat goede wil blijf je geen ezel) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. de bès nen loempen aajl (=wat ben je toch dom (als een domme uil)) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. de bès nie alleen opte werd (=wees wat stiller onder de lessen, anderen willen ook slapen) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. de bès pas ne goeje as te èn de grond stiks (=na je dood wordt er misschien wat goeds over je verteld) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. de bès van niemes baeter gediend as van zën eege (=wat je zelf doet is altijd beter) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. de bès zjus nen aop op ë stékske (=wat staat ge daar te niksen) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. de boer moet wiet'n wat de bodder kost (=de verkoper bepaalt de prijs) (Westerkwartiers)
  8. de ermoei lüp aoën diërë en vinsters aut (=het is al ellende wat je daar ziet) (Munsterbilzen - Minsters)
  9. de gebroje hinne valle nie autte loch (=doe maar wat voor je kost) (Munsterbilzen - Minsters)
  10. de haoën kan zoe hel kraeë as ter wilt, ët zin toch de hinne daaj de eer lègge (=de man mag zeggen wat hij wil, maar de vrouw beslist) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. de hëbs hennig get keskënaote (=je hebt nogal wat noten op je zang) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. de hëbs sjaos daste gelèk hëbs (=wat heb jij toch geluk!) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. de hëbs wir te lang ston helvere on de dieër (=je hebt buiten wat lang staan vrijen) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. de hëbs zën ooge wol èn zën maol zitte (=let wat beter op) (Munsterbilzen - Minsters)
  15. de hëbs zëne zjang get leig hange (=praten kan je goed, maar doen is wat anders) (Munsterbilzen - Minsters)
  16. de heirs ët graos èn Zjeruselem wasse (=je gelooft ook alles wat ze zeggen) (Munsterbilzen - Minsters)
  17. de hübs ferm vieël keskenaote (=je hebt nogal wat noten op je zang) (Munsterbilzen - Minsters)
  18. de kens mich get (=ge kunt me wat) (Neerharens)
  19. de kërk ènt midden haage (=wat toegeven omwille van de (huis-)vrede) (Munsterbilzen - Minsters)
  20. de kins mich de buim in (=je kunt me wat) (Venloos)
  21. De kins mich ein eike euver de baan rolle (=Je kunt me wat) (Venloos)
  22. de klokk'n luien (=iets vertellen wat niet mag) (Evergems)
  23. de kluts kwijt zijn (=niet weten wat aan te vangen) (Lovendegems)
  24. de kons mich noë de poemp loope (=ga elders om wat goeds te doen) (Munsterbilzen - Minsters)
  25. de kons mich wat ! (=loop naar de pomp) (Munsterbilzen - Minsters)
  26. de kons nie alles hübbe opte werd (=wees tevreden met wat je hebt en jaag niet op dingen die je niet hebt) (Munsterbilzen - Minsters)
  27. de kons nog effe tiëgegaas gaeve (=sputter nog maar wat tegen) (Bilzers)
  28. de kons wir van viëraof aon beginne (=alcohol maakt weer slap wat viagra overeind kreeg) (Munsterbilzen - Minsters)
  29. de kons zen kie wol èn den Demer dauwe, mèr ze doen zwümme konste nie (=domme mensen zullen nooit wat bijleren) (Munsterbilzen - Minsters)
  30. de kraaigs waor noë ze geld (=voor wat hoort wat) (Munsterbilzen - Minsters)
  31. de littënie van allerheilëgë aoframmëlë (=alles wat mogelijk is vertellen) (Munsterbilzen - Minsters)
  32. de lots nog mèr èes heire daste nog laefs (=bij leven en welzijn hoor ik nog wel wat van je) (Munsterbilzen - Minsters)
  33. de lucht kloart al weer wat op (=ze zien het alweer beter zitten) (Westerkwartiers)
  34. De lucht werrekt. (=De lucht lijkt wel wat naar onweer te neigen.) (Zaans)
  35. de maus draaj kër roje (=wat dacht je) (Munsterbilzen - Minsters)
  36. de meeste eekele hange on ne boom (=hier lopen nogal wat eikels rond!) (Munsterbilzen - Minsters)
  37. de mes mèr alles geleeve wat ze èn de bikskes sjrijve (=lezen is het fundament van alle wijsheid) (Munsterbilzen - Minsters)
  38. de méssje valle daud vant daok (=Bah, wat is het heet!) (Bilzers)
  39. de meur!!! (=wat je zegt als je ergens bang van bent) (West-Vlaams)
  40. de moes ëm èn zë vèt loëte stoëvë (=laat hem maar wat razen...) (Munsterbilzen - Minsters)
  41. de moes goed tësse de laantsjes konne laeze (=luister goed naar wat er gezegd wordt, maar nog meer naar wat er niet gezegd wordt) (Munsterbilzen - Minsters)
  42. de moes man en piëd nieme (=als je wat zegt, moet je ook namen noemen) (Bilzers)
  43. de moes nie alles op dezelfde hoop goeje (=niet alles is wat het schijnt) (Munsterbilzen - Minsters)
  44. de moes zën eër nie ammël èn dezelfste körf lègge (=je moet het risico altijd wat verdelen) (Munsterbilzen - Minsters)
  45. de molp és ont staute (=er groeit wat bij haar) (Bilzers)
  46. de mûle seit wolris wat dêr't hert gjin diel oan hat (=De mond spreekt wel eens over waar het hart geen deel aan heeft.) (Fries)
  47. de mure ebbe wore (=let op met wat je zegt) (Gastels)
  48. de musschje valle dôod van ut dak / Het is bloedjie hêet/ ik het het niet meer/ wat een pleurischjhitte/ tis zo warrem de lappe valle van me lijf (=de mussen vallen dood van het dak af) (Utrechts)
  49. de muur'n hemm'n oor'n (=kijk uit wat je hier zegt) (Westerkwartiers)
  50. de pees afleggen (=het wat kalmer doen) (Lovendegems)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen