Spreekwoorden met `geld`

Zoek


50 dialectgezegden bevatten `geld`

  1. ich doen alles èn één baoën vër te bespaoëre (=ik doe alles tegelijk, dat spaart tijd en geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  2. ich dreem dat ich de lotto goën wènne en van dae dreem laef ich (=mensen zonder dromen zijn armer dan mensen zonder geld) (Munsterbilzen - Minsters)
  3. ich geleef tich vër geen roj sent (=ik geloof je voor geen geld ter wereld) (Munsterbilzen - Minsters)
  4. ich hêb geen ieêzêlke dat geld sjit (=zo rijk ben ik nu ook weer niet) (Munsterbilzen - Minsters)
  5. ich hëb geen iëzëlke wo geld sjit, mér waol ë luksepiëd wottët opmok (=zeg nooit te gauw, 't is weer een vrouw) (Munsterbilzen - Minsters)
  6. ich verdeel al me geld onder de erm : de hëlf onner de linkse en daander hëlf onder de raechtererm... (=de rijkdom in de wereld is slecht verdeeld) (Munsterbilzen - Minsters)
  7. ie verdient geld link moze (=hij heeft een hoge wedde) (Waregems)
  8. Ie ziet krot (=Hij zit zonder geld) (Ronsisch)
  9. ie zwemd één 't geld (=hij is gefortuneerd (veel geld) ) (Waregems)
  10. ieëkde ze dich (=heb je weer al je geld uitgegeven (jeukten ze u)) (Munsterbilzen - Minsters)
  11. iemed ploemme (=iemands geld afhandig maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  12. iemed streepe (=ieand geld afhandig maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  13. iemes ze geld aoflauze (=iemand listig geld afhandig maken) (Munsterbilzen - Minsters)
  14. iënen zè geldj afluizen (=iemand's geld op slinkse manier afpakken) (Meers)
  15. Ig hem ginnen ezel dieje geld schet zenne (=Ik heb niet zoveel geld hoor!) (Beverloos )
  16. IJ ef gien cent te makke (=Hij heeft geen geld) (Zwols)
  17. ij is visboer (=hij heeft veel geld) (Volendams)
  18. ij mag nog vor allef geld mee (=hij kan nog mee op een kinderkaartje) (Oudenbosch)
  19. ij smijt ze buitn' (=hij doet veel geld op) (Brakels)
  20. ij versmuurd in t'geld (=te veel geld hebben) (Knesselaars)
  21. ij zit op zwart zaod (=hij is door zijn geld heen) (Oudenbosch)
  22. Ik ben me geld niet loof. (=Het geld groeit me niet op de rug.) (Zaans)
  23. Ik ben skeer (=Ik heb geen geld) (Amsterdamse straattaal)
  24. ik heb geen piek meer, ik heb geen cent te makken (=ik heb geen geld (meer) / ik ben platzak) (Haarlems)
  25. Ik hew gien peerdje skaitgeld. (=Het geld groeit me niet op de rug.) (Zaans)
  26. Ik moet mijne chick oek betaole (=Ik kan je geen geld lenen) (Antwerps)
  27. ik mog willen dat ik et in en zeijen (of beskeaten) doekien adde (=van nodeloos verloren geld) (Urkers)
  28. Ik Smit U Dwu mè Min Kljin Gèl (=geld veel) (Kortrijks)
  29. ik zit op zwart zaod , De lamp hong /hank scheef (na echtelijke ruzie om tekort aan geld vloog alles in het rond) (=Het geld is op) (Utrechts)
  30. In de winterdag kenne ze raie over 'n panlat, en in de zeumerdag naggenies over drie bai ellef. (3x11 is een stevige houtmaat) (=Des winters komen ze rond van bijna niets, 's zomers bulken ze van het geld en kan er niets vanaf.) (Zaans)
  31. inkel geld (=klein geld) (Clings)
  32. int kleutens (=niet voor echt - niet voor geld spelen) (Deinzes)
  33. is den ôs vet? (=veel geld uitgeven) (Overpelts)
  34. j ee moa t geld te scheppn (=hij is zeer rijk) (Lichtervelds)
  35. j' is mè zun koente in de beuter gevallen (=met iemand getrouwd zijn met veel geld) (Brugs)
  36. j'hed ie zeker den buk en de moere van 't geld (=hij heeft / verdient veel geld) (lauws)
  37. jassie je cente dr niet deur (=maak je niet al je geld op) (Slands)
  38. jé den goat in zijn and (=hij geeft gamakkelijk geld uit) (Knesselaars)
  39. jè gen kluttn (=hij heeft geen geld) (Kortrijks)
  40. je komt achtre voer olf geld (=hij kan niet volgen) (Kortemarks)
  41. je kunt nie ol en, veel geld en e schoîn wuuf (=je kunt niet alles hebben) (kortemarks)
  42. je kunt niet olles en, e schoîn wuuf en veel geld (=je kunt niet alles hebben) (Lichtervelds)
  43. je lat ze geld nogol gletsn (=hij geeft gemakkelijk geld uit) (Lichtervelds)
  44. je lat ze geld nogol gletsn (=hij geeft gemakkelijk geld uit) (kortemarks)
  45. je lat ze nogol gletsn (=hij geeft veel geld uit) (Lichtervelds)
  46. je loat ut uuthangen (=iemand die veel geld uigeeft) (Brugs)
  47. je moet'n de één betoal'n, en de aander geld geev'm (=je moet hoe dan ook betalen) (Westerkwartiers)
  48. Je Nè Ginnen Tak Vor Ip te Zitn (=geld weinig) (kortrijks)
  49. Je Skit Gèl (=geld veel) (Kortrijks)
  50. je spit int geld (=hij verdoet veel geld) (Kortemarks)




Bronnen

De spreekwoorden en gezegden zijn afkomstig van Wikiquote, Wikipedia en onze gebruikers. Op woorden.org is de uitleg ingekort en is herkomst van spreekwoorden en gezegden weggelaten.

Zie ook:
  • vaartips.nl Ruim 300 woorden, zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • debinnenvaart.nl Nog eens honderden zegswijzen en uitdrukkingen met een maritieme achtergrond
  • Het boek `De Latynsche spreekwyzen` uit 1755 met oud-Nederlandse vertalingen