wankelen

werkw.
Uitspraak:  ['wɑŋkələ(n)]
Vervoegingen:  wankelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gewankeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) heen en weer bewegen en daardoor dreigen het evenwicht te verliezen
Voorbeeld:  `De kostbare vaas wankelde even, maar bleef gelukkig staan.`
Synoniem:  wiebelen

2) niet meer zeker of vast zijn
Voorbeeld:  `Mijn geloof in jou is aan het wankelen gebracht.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
strompelen wiebelen

3 definities op Encyclo
  1. onvast gaan Jaar van herkomst: 1240 (Bern. )
  2. onzeker lopen vb: de zieke wankelde door de kamer Synoniem: wiebelen
  3. 1) Aarzelen 2) Keren 3) Niet vast staan 4) Onenig zijn 5) Ongestadig zijn 6) Onrustig bewegen 7) Onvast staan 8) Schokken 9) Strompelen 10) Tuitelen 11) Vlotten 12) Wagge...
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
wankelen (onvast gaan)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `wankelen` kennen.