de vink

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [vɪŋk]
Verbuigingen:  vink|en (meerv.)

kleine zang- en trekvogel
Voorbeelden:  `geelvink`,
`bosvink`
blinde vink  (rolletje gehakt met een plak vlees eromheen) `blinde vink met aardappelen en rodekool`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
goudvink keep

Spreekwoorden en zegswijzen
• luisteren als een vink (=erg gehoorzaam zijn)
• doorslaan als een blinde vink (=hoogst onlogisch redeneren)
Naar de spreekwoorden

20 definities op Encyclo
  1. kleine, blauwgroene zangvogel met korte snavel vb: er zat een vinkje in de boom V-vormig tekentje vb: in het vakje mag u een vinkje zetten
  2. penis, maar ook schooier, klaploper
  3. vink, ondersoort Azoren © Martin Kramer De vink is in Nederland een bekende zangvogel. Hij leeft in bossen en inopen landschappen en is ook in tuinen veel te zien en t...
  4. Wetenschappelijke naam: Fringilla coelebs Aantal broedparen in Nederland: 600.000-700.000 (1998-2000) Biotoop: vooral in middelhoog geboomte zoals bossen, parken en hal...
  5. De vink is in Nederland een bekende zangvogel. Hij leeft in bossen en inopen landschappen en is ook in tuinen veel te zien en te horen. Het mannetje is met zijn oran...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met vink:
vink afvinkenvinkenslagvinktvinktevinktenvinkvakje

Deze woorden eindigen op vink:
parlevinkhennepvinkvlasvinkslavinkgierstvinkgoudvink

Herkomst volgens etymologiebank.nl
vink (zangvogel Fringilla coelebs)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `vink`.