uitwijken

werkw.
Uitspraak:  ['œytwɛikə(n)]
Vervoegingen:  week uit (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  is uitgeweken (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) je koers veranderen om niet ergens tegenaan te botsen
Voorbeeld:  `naar rechts uitwijken om de tegenligger te ontwijken`

2) noodgedwongen naar een andere plaats gaan of overgaan op een andere oplossing
Voorbeelden:  `De president was in zijn land niet meer te handhaven en hij week uit naar een bevriend land.`,
`bij een afgelasting uitwijken naar kunstgras`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
emigreren ontkomen ontsnappen ontvluchten opzij gaan schuilen toevluchten uit de weg gaan uit een land wijken vluchten wegkruipen wegvluchten zwenken

4 definities op Encyclo
  1. Niemand heeft voorrang, wel ben je in bepaalde situaties verplicht uit te wijken. In de laatste versie van het BPR [2004] wordt voor het eerst het woord voorrang gebruikt...
  2. uit de weg gaan, opzij gaan vb: zij moest uitwijken voor een auto naar een andere plaats gaan vb: als het regent, wijken we uit naar de sportzaal
  3. 1) Emigreren 2) Ontkomen 3) Ontsnappen 4) Ontvluchten 5) Opzij gaan 6) Opzijgaan 7) Schuilen 8) Toevluchten 9) Uit de weg gaan 10) Uithalen 11) Vermijden 12) Vluchten 13)...
  4. [Belgisch Nederlands] naar een andere plaats of streek verhuizen
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
uitwijken

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 100% van de Vlamingen het woord `uitwijken`.