de uitgang

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  ['œytxɑŋ]
Verbuigingen:  uitgang|en (meerv.)

1) plaats waar iemand of iets naar buiten kan
Voorbeelden:  `de uitgang van een gebouw`,
`bij brand door de nooduitgang naar buiten gaan`,
`Het signaal gaat door de uitgang van het apparaat naar de ingang van een ander apparaat.`
Antoniem:  ingang
kunstmatige uitgang  (kunstmatige anus) Synoniem: stoma

2) stukje woord dat je achter de stam (3) van een woord zet als je dat woord verbuigt of vervoegt taalkunde
Voorbeeld:  `In 'rijdt' is 'rijd' de stam van rijden en '-t' de uitgang voor de derde persoon enkelvoud.`
Synoniem:  suffix

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
deur uitloop uitweg ingang (antoniem)

6 definities op Encyclo
  1. Een aansluiting (poort) waar informatie een apparaat uit kan Zie ook: Poort
  2. opening waardoor je naar buiten gaat vb: weet u waar de uitgang van dit gebouw is? Synoniem: exit Tegenstellingen: ingang entree deel dat wordt toegevoegd vb: de uitgang ...
  3. element dat we toevoegen aan een woord dat we verbuigen of vervoegen. Voorbeeld: -e aan het eind van andere, -te aan het eind van lachte. ? verbuiging, vervoeging
  4. [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Uitgang``] Zie Bedekte weg
  5. •een weg waarlangs men een ruimte verlaten kan.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met uitgang:
uitgangenuitgangspuntuitgangspuntenuitgangsspanning

Deze woorden eindigen op uitgang:
achteruitgangnooduitgangUSB-uitgangvooruitgang

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `uitgang` kennen.