trillen

werkw.
Uitspraak:  [ˈtrɪlə(n)]
Vervoegingen:  trilde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft getrild (volt.deelw.)

heel snel met kleine bewegingen heen en weer gaan
Voorbeeld:  `trillen van woede`
Synoniemen:  bibberen, beven, rillen,
trillen als een rietje/espenblad  (heel erg trillen)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
beven bibberen kloppen lillen rillen schudden vibreren zinderen

Spreekwoorden en zegswijzen
trillen als een juffershondje (=van angst trillen)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met trillen een ander begrip versterken?
trillen van woede
Hoe kun je trillen krachtiger uitdrukken?
trillen als een espenblad; trillen als een juffershondje; trillen als een riet;

5 definities op Encyclo
  • •snel heen een weer bewegen. • tweede betekenisomschrijving •:"Zin met het 'paginawoord' in de tweede betekenis erin." • enz.
  • Trillen is een alternatieve heimethode waarbij men met een trilblok een funderingspaal of damwand in trilling brengt. Hierdoor verliest de onderliggende grond zijn draag...
  • snel een klein beetje bewegen vb: hij zat te trillen van de kou Synoniemen: bibberen beven rillen
  • beven Jaar van herkomst: 1434-1436 (MNW )
  • 1) Beven 2) Bibberen 3) Dreunen 4) Enigszins beven 5) Huiveren 6) Kloppen 7) Lillen 8) Rillen 9) Schudden 10) Sidderen 11) Vibreren 12) Zinderen 13) Zoemen
  • Toon uitgebreidere definities

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    trillen (beven)