de tengel

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  tengels
Verbuigingen:  tengeltje

1) ''informeel, meestal '' vinger
Voorbeeld:  `Blijf daar af met je tengels!`

2) een kleine houten lat
Voorbeeld:  `De timmerman vergat de tengels mee te nemen naar de bouwplaats.`


Bron: WikiWoordenboek.

Synoniemen
grijpstuiver poot

11 definities op Encyclo
  1. aan de bovenkant van een Belgisch luik langs de zijkanten van het luik aangebrachte smalle houten lat. Soms ook tingel genoemd.
  2. Een lat die tussen het dakbeschot en de panlatten wordt aangebracht. Deze lat loopt van nok naar dakvoet en zorgt voor voldoende ventilatie onder de pannen. Zie dakisola...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s), verbindingslat voor timmerwerk.
  4. van dakbeschot Golfpannen rusten vanouds op panlatten, die op de daksporen zijn gespijkerd. Dat is een luchtige constructie, maar op den duur werd deze te luchtig gevonde...
  5. Houten lat, van 10 x 50 mm tot 22 x 75 mm, veelal gebruikt om bij een beschoten dak de panlatten op te spijkeren.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met tengel:
tengels

Deze woorden eindigen op tengel:
wachtengelstengelrotanstengelkaasstengel

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. tengel (houten lat)
  2. tengel (netel)
  3. tengel (vinger)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 89% van de Nederlanders en 65% van de Vlamingen het woord `tengel`.