de wachtengel

zelfst.naamw. (m.)
Verbuigingen:  wachtengelen
Verbuigingen:  wachtengeltje

een hemels wezen dat je tegen onheil beschermt, engelbewaarder, beschermengel, bewaarengel
Voorbeelden:  `Hij moet wel een heel goede wachtengel hebben gehad toen hij ongedeerd uit de geheel verkreukelde auto gehaald werd.`,
`(...) en vlucht met zijn dochters weg onderzee...`


Bron: WikiWoordenboek.