surfen

werkw.
Uitspraak:  [ˈsʏrfə(n)]
Vervoegingen:  surfte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gesurft (volt.deelw.)

1) op een surfplank over de branding bewegen sport

2) zeilen op een grote plank met een mast en een zeil
Synoniemen:  windsurfen, plankzeilen

3) zoeken op internet sport
Voorbeeld:  `Als je even surft op internet, dan vind je het zo.`
Synoniem:  internetten

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
internetten plankzeilen watersport

17 definities op Encyclo
  • Populaire term voor het afstruinen van het WWW.
  • Jargon voor het rondneuzen op het Internet met behulp van een browser. Wordt vaak gebruikt om aan te geven dat niet echt wordt gezocht naar specifieke informatie.
  • Het World Wide Web aflopen, van de ene site naar de andere, vaak gewoon maar om rond te kijken.
  • Het bekijken van webpagina's op het internet.
  • Syn.: Windsurfen Def.: plankzeilen.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met surfen:
    surfen mee

    Deze woorden eindigen op surfen:
    boardsurfenbodysurfenbumpersurfencouchsurfencrowdsurfenegosurfengolfsurfenijssurfenkitesurfenmeesurfenmindsurfennetsurfenskysurfensneeuwsurfensofasurfenspeedsurfenwebsurfenwindsurfenzandsurfen

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    surfen (op een plank zeilen door de golven; informatie zoeken op het internet)