de strook

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [strok]
Verbuigingen:  stroken (meerv.)

smal langwerpig stuk (van iets)
Voorbeeld:  `een telefoonnummer noteren op een strookje papier`
Synoniemen:  baan, reep
fietsstrook  (gemarkeerde strook op de weg voor fietsers)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
baan banderol bies reep volant

12 definities op Encyclo
  1. 1> ander woord voor gang. 2> in een bepaalde (vloeiende) lijn met de rest liggend. 3> zie streek.
  2. smalle reep van iets vb: ik scheurde een strook papier af de vluchtstrook [de smalle rand langs de snelweg]
  3. plank. Overdrachtelijk: de richting die de planken volgen. `Van strook` = op rij, op hun plaats, in de richting; vergelijk `dat strookt niet met` = dat komt niet overeen ...
  4. Een strook bestaat uit plaatjes die naast elkaar staan en dezelfde hoogte hebben.
  5. Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (B.m.) (-en), rand, reep (van iets afgesneden); sieraad eener vrouwenmuts. ~, (zeew.) smal vooruitstekend stuk land.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met strook:
strooktstrooktestrookten

Deze woorden eindigen op strook:
groenstrookinhaalstrookinvoegstrookwisselstrookpechstrookrijstrookfietsstrookspitsstrookuitrijstrookzandstrookvluchtstrook

Herkomst volgens etymologiebank.nl
  1. strook (reep)
  2. strook (zeegt)


Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `strook`.