snokken

werkw.
Uitspraak:  ['snɔkə(n)]
Vervoegingen:  snokte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gesnokt (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

1) schokkende of trekkende bewegingen maken
Voorbeeld:  `Bij het paardrijden mag je niet te hard snokken aan de teugels.`
Synoniem:  schokken

2) masturberen
Voorbeeld:  `al op jonge leeftijd beginnen met snokken`
Synoniem:  rukken

© Kernerman Dictionaries.

5 definities op Encyclo
  1. [Belgisch Nederlands] rukken
  2. 1) Rukken 2) Zich met schokken bewegen
  3. [Vlaamse woorden] rukken (VD)
  4. Korte versnelling -aan kop vd groep- met als doel (een aantal) renners uit de groep te rijden
  5. (Gezegd van personen) rukken aan iets
Toon uitgebreidere definities

Herkomst volgens etymologiebank.nl
snokken (rukken, snikken)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 31% van de Nederlanders en 91% van de Vlamingen het woord `snokken`.