prutsen

werkw.
Uitspraak:  [ˈprʏtsə(n)]
Vervoegingen:  prutste (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geprutst (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

op een ondoelmatige manier bezig zijn met iets maken of repareren
Voorbeeld:  `Ze hebben uren aan de buitenboordmotor zitten prutsen, maar hij doet het nog steeds niet.`
Synoniemen:  klooien, pielen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanmodderen broddelen fröbelen klooien klungelen klunzen knoeien knutselen pielen rommelen stuntelen

4 definities op Encyclo
  1. onhandig bezig zijn vb: je moet niet zelf gaan prutsen aan die computer
  2. Uit `De lagere vaktalen: Diamantbewerking` 1914 slecht werken. Afleiding van prutten, verscherping van brodden, broddelen.
  3. 1) Aanmodderen 2) Aanrommelen 3) Beunhazen 4) Broddelen 5) Darren 6) Dokteren 7) Femelen 8) Fikfakken 9) Flodderen 10) Friemelen 11) Frullen 12) Frunniken 13) Frutselen 1...
  4. knutselen Jaar van herkomst: 1896 (WNT )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op prutsen:
verprutsen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
prutsen (knoeien, onhandig bezig zijn)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `prutsen` kennen.