de pastoor

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [pɑsˈtor]
Verbuigingen:  pastoor|s (meerv.)

rooms-katholiek geestelijke die een parochie leidt religie

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
hoe hoeder pastor zielenherder zwarte kip

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie de pastoor niet eert, wie zijn absolutie riskeert (=om je ambitie te bereiken, moet je extra aardig zijn voor de hoge heren.)
• hij kijkt er naar uit als de pastoor naar het geld in het kerkenzakje (=hij kijkt ergens vol verwachting naar uit.)
• de pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem mee. (=altijd eerst de machtige mensen, dan de mindere mens.)
• de koe van de pastoor eet iedere dag mals gras. (=wie trouw is aan machtige mensen, heeft een heerlijk leven.)
• als de boeren niet meer klagen en de pastoors niet meer vragen, dan nadert het einde der dagen (=sommige mensen veranderen nooit.)
Naar de spreekwoorden

8 definities op Encyclo
  1. leider van groep gelovigen in katholieke kerk vb: hoe heet de pastoor van deze kerk?
  2. Let op: Spelling van 1858 pastor, Lat., pasteur, Fr., een herder; een geestelijke, een predikant of Roomsch-Katholijke priester. Pastor loci, de predikant of pastoor van ...
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-s, ...oren), herder; [bij de roomsch-katholieken] ) kerkvoogd, priester (onder den vikaris). ~SHUIS, o. (...zen). ~SWONING, v. (-e...
  4. Zie: parochie.
  5. •een lid van de katholieke geestelijkheid die zich aan de zielzorg van zijn parochie wijdt.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met pastoor:
pastoors

Herkomst volgens etymologiebank.nl
pastoor (geestelijke aan het hoofd van een katholieke parochie)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `pastoor` kennen.