de passagier

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [pɑsaˈʒir]
Verbuigingen:  passagier|s (meerv.)

de passagiere

zelfst.naamw. (v.)
Uitspraak:  [pɑsaˈʒir|ə]
Verbuigingen:  passagiere|s (meerv.)

iemand die meereist in een vervoermiddel
Voorbeeld:  `Er is ruimte voor vijf passagiers.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
inzittende reiziger bestuurder (antoniem)

9 definities op Encyclo
  1. betalende gast aan boord(4).
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. en v. (-s), reiziger, medevarende of rijdende. ~EN, ow. (zeew.) voor een dag aan wal gaan.
  3. de gewone of slechtvalk. - Wanderfalke. Pelerin
  4. reiziger die meerijdt vb: ik kan drie passagiers meenemen in deze auto
  5. •iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met passagier:
passagierdepassagierdenpassagierspassagiersbrugpassagierslijstpassagiersruimtepassagiersschepenpassagiersschippassagierstreinpassagiersvliegtuigpassagiert

Deze woorden eindigen op passagier:
duopassagiertreinpassagier

Herkomst volgens etymologiebank.nl
passagier (reiziger)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `passagier`.