Spreekwoorden en zegswijzen
• op zijn tellen passen (=zeer goed opletten om niets fout te doen)
• op je tellen passen. (=voorzichtig zijn.)
• met passen en met meten wordt de meeste tijd versleten. (=voorbereidingen zijn dikwijls het meest tijdrovend onderdeel van een taak.)
• daar valt wel een mouw aan te passen. (=daar is wel een oplossing voor te vinden.)
• bij elkaar passen als twee trommelstokken (=goed bij elkaar passen)
Toon alle 7 spreekwoorden die passé bevatten

7 definities op Encyclo
1) Let op: Spelling van 1858 in de schermkunst, een uitval, sprong
2) Let op: Spelling (deels) uit 1864: v. (-n), (schermk.) uitval, gang. ~LIJK, [bijvoegelijk naamwoord] en [bijwoord] redelijk, tamelijk.
3) 1) Schermterm 2) Uit de tijd
4) 1) Uit die tijd 2) Uitval bij het schermen 3) Uitval van een schermer 4) Verouderd 5) Verouderd. fra 6) Voorbij
5) bij schermen een uitval (toon de herkomst via de etymologiebank)
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met passé:
passe-partoutpassechpasseerpasseerdepasseerdenpasseertpasselijkpassenpassen bijpassen oppassen voorpassendpassendheidpasserpasserellepasserellespasserenpassers

Deze woorden eindigen op passé:
impasse

Herkomst volgens etymologiebank.nl
passe (bij schermen een uitval)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 73% van de Nederlanders en 59% van de Vlamingen het woord `passé`.