juichen

werkw.
Uitspraak:  [ˈjœyxə(n)]
Vervoegingen:  juichte (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gejuicht (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

luid laten horen dat je blij bent, vaak met veel mensen tegelijk
Voorbeeld:  `Het publiek juichte toen hun team gewonnen had.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
joelen jubelen

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik juichte, heb gejuicht), luidruchtig zijne vreugde te kennen geven. *...TOON, m. (-en), jubelkreet.
  2. uitbundig roepen omdat je blij bent vb: zij stonden te juichen toen de ballon de lucht in ging
  3. •op luide wijze vreugde uiten. (+audio)
  4. 1) Joelen 2) Jubelen 3) Luid en vrolijk zijn 4) Vreugdekreten 5) Vrolijk schreeuwen
  5. uiting geven aan vreugde Jaar van herkomst: 1285 (CG Rijmb. )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op juichen:
toejuichen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
juichen (luid vreugde uiten)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `juichen`.