joelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈjulə(n)]
Vervoegingen:  joelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gejoeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

hard schreeuwen
Voorbeelden:  `Na dat fantastische doelpunt begonnen de supporters te joelen.`,
`Voor het huis van de burgemeester stond een joelende menigte van ontevreden inwoners.`
Synoniem:  gillen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
gieren gillen juichen uitjouwen

5 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik joelde, heb gejoeld), een woest getier maken, vrolijk zijn, drok door elk. lopen, pret hebben.
  2. luid roepen uit enthousiasme of afkeuring vb: de fans stonden te joelen naar de popster
  3. 1) Gieren 2) Gillen 3) Huilen 4) Juichen 5) Luid toejuichen 6) Luidkeels toejuichen 7) Luidkeels toeroepen 8) Luidkeels uiten 9) Luidruchtig vrolijk zijn 10) Luidruchtig ...
  4. Joelen is het maken van lawaai, oorspronkelijk werd dit gedaan om kwade geesten te verjagen tijdens de heidense joelfeesten. Tegenwoordig (anno 2005) wordt het gebruikt ...
  5. zich luidruchtig gedragen Jaar van herkomst: 1648 (WNT )
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op joelen:
sjoelen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
joelen (luidruchtig enthousiasme of afkeer uiten)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 95% van de Vlamingen het woord `joelen`.