jubelen

werkw.
Uitspraak:  [ˈjybələ(n)]
Vervoegingen:  jubelde (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft gejubeld (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

hoorbaar laten merken dat je blij bent
Voorbeeld:  `Ik heb de baan! Jubelend vertelde ze hoe het gegaan was.`
Synoniem:  juichen

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
joelen juichen

Intensiveringen
Hoe kun je met jubelen een ander begrip versterken?
jubelen van blijdschap; jubelen van vreugde;

4 definities op Encyclo
  1. vreugdekreten aanheffen Jaar van herkomst: 1854-1855 (WNT )
  2. kreten van blijdschap of vreugde slaken vb: zij stond te jubelen toen ze zoveel cadeaus kreeg
  3. •juichen.
  4. 1) Joelen 2) Juichen
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op jubelen:
bejubelen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
jubelen (juichen)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 98% van de Vlamingen het woord `jubelen`.