de jas

zelfst.naamw. (m./v.)
Uitspraak:  [jɑs]
Verbuigingen:  jas|sen (meerv.)

kledingstuk voor buiten, over je bovenkleren
Voorbeelden:  `winterjas`,
`regenjas`,
`een jas aandoen als het buiten koud is`,
`je jas uittrekken als je weer thuis bent`,
`iemand in zijn jas helpen als hij weggaat`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
blazer inzonderheid jasje jekker mant mantel overjas voornamelijk

Spreekwoorden en zegswijzen
• de hond de jas voorhouden. (=iemand valse hoop geven op iets dat hij graag wil hebben.)
Naar de spreekwoorden

Intensiveringen
Hoe kun je met jas een ander begrip versterken?
passen als een ouwe jas; dat scheelt een jas;

10 definities op Encyclo
  • Spreekwoorden: (1914) Een jas, d.w.z. eene teleurstelling, een strop, misrekening; zie Woordenschat, 510: iemand een jas geven of een jas krijgen, teleurstellen of teleur...
  • • [kleding] kledingstuk dat over andere kledingstukken gedragen wordt en die de romp en armen bedekt. •de troefboer, dat wil zeggen de boer van de kleur speelkaarten ...
  • kledingstuk dat je over je andere kleren draagt als je naar buiten gaat vb: koop maar een warme jas voor de winter hem aan zijn jasje trekken [hem herinneren aan wat hij ...
  • Jas is een Poolse jongensnaam. Het betekent `God is verzoenend`. Extra info: Jaan, Jaana, Jack, Jacky, Jaine, Jaique, Jaka, Jake, Jan, Janae, Jancsi, Jane, Janea, Janecek...
  • Let op: Spelling van 1914 sur. Zie FRAMBOESIA.
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden beginnen met jas:
    jasbeschermersjasjejasmijnjasmijnenjasmijnrijstjassenjastjastejasten

    Deze woorden eindigen op jas:
    badjasbontjasgrapjaskamerjaskapotjasklaverjaskruisjaslaboratoriumjasochtendjasoliejasoverjaspaljaspandjesjaspelsjasregenjassoepjastussenjasvechtjaswinterjaszomerjas

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    1. jas (kledingstuk)
    2. jas (troefboer)
    3. jas