hoog

bijv.naamw.
Uitspraak:  [hox]

1) als iets zich ver naar boven uitstrekt of zich op een punt ver boven bevindt
Voorbeelden:  `een hoog flatgebouw`,
`hoog in de bergen wonen`,
`De kamer is drie meter hoog.`
Antoniem:  laag
bij hoog en bij laag  (stellig) `een mening bij hoog en bij laag volhouden`

2) groot
Voorbeelden:  `een hoog inkomen hebben`,
`hoge koorts hebben`
Synoniem:  aanzienlijk
hoog oplopen  (hevig worden) `De spanning loopt hoog op.`
in hoge mate  (zeer) `Hun relatie is in hoge mate verstoord door ruzie.` Synoniem: erg, ernstig

3) maatschappelijk of moreel belangrijk
Voorbeeld:  `een hoge positie bekleden`
Antoniem:  laag
hoog aangeschreven staan  (een goede reputatie hebben) `Vanwege zijn kwaliteiten staat hij bij iedereen in ons bedrijf hoog aangeschreven.` Synoniem: goed bekend staan
hoog opgeven van  (heel positieve dingen zeggen over (iets of iemand)) `De minister geeft hoog op van de samenwerking met de betrokken instanties.` Synoniem:

4) (van geluid) met een hoge frequentie van de geluidsgolven en soms een beetje scherp
Voorbeelden:  `Als je vrolijk bent, gaat je stem vaak omhoog.`,
`Een alarm heeft meestal een hoog geluid.`
Antoniem:  laag

5)
Het zit me hoog.  (ik heb er last van, het zit me dwars) `Die hele werksituatie zit me nogal hoog.` Synoniem:

6)
het is de hoogste tijd om...  (het is nu dringend nodig dat/om...) `Met die wildgroei van bedrijfsterreinen is het nu de hoogste tijd om maatregelen te nemen.` Synoniem:

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
aanzienlijk edel groot hard hooggelegen schel scherp schril snerpend laag (antoniem)

Spreekwoorden en zegswijzen
• wie hoog klimt kan laag vallen. (=belangrijke zaken snel kwijt raken door kleine dingen)
• niet hoog timmeren (=weinig verstand hebben)
• iets hoog opnemen (=ergens zeer gekrenkt over zijn)
• huizen hoog springen (=erg gelukkig zijn)
hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
Toon alle 13 spreekwoorden die hoog bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je met hoog een ander begrip versterken?
het hoogste lied zingen; hoge eisen; hoge koorts; hoge lasten; hoge leeftijd; hoge ouderdom; hoge verwachtingen; hoog bedrag; hoog gehalte; hoog oplopen; hoog salaris; hoogbegaafd; hoogbejaard; hoogblond; hoognodig; hoogrood; hoogverraad; hoogzwanger; bij hoog en (bij) laag volhouden; bij hoog en (bij) laag beweren; hooggevoelig; hoog brandstofverbruik; hoge concentratie; hoge deining; hoge snelheid; hoge schuld; hoge straf; hooggespannen verwachtingen; hoog scoren met; bij hoog en (bij) laag zweren
Hoe kun je hoog krachtiger uitdrukken?
hemelhoog; hoog als de toren van Babel; huizenhoog; schrikbarend hoog; torenhoog;

8 definities op Encyclo
  1. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bijvoegelijk naamwoord] en [bijwoord] (-er, -st), (tegenstelling van laag), verheven, uitstekende, rijzig; een -e berg, een - huis, ee...
  2. Uit `De lagere vaktalen: Taal van kuipers, klompenmakers en kurkensnijders` 1914 hooge kloefen, kloefen hoog van muil.
  3. behoorlijk ver van de grond vb: de doelman maakte een hoge sprong de ruzie liep hoog op [was erg heftig] dat zit haar erg hoog [dat houdt haar erg bezig] hij zit hoog en ...
  4. Hogedrukgebied. Daar is een luchtkolom zwaarder dan in de omgeving.
  5. •fysiek ver boven iets anders. •vergevorderd in een rangorde of volgorde. •(geluid) met een groot aantal trillingen per tijdseenheid •met een groot aanzien.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met hoog:
hoog ophoogaarshoogaarzenhoogachtenhoogachtendHoogalemannischhoogaltaarhoogaltarenhoogbegaafdhoogbegaafdehoogbegaafdheidhoogbouwhoogconjuncturenhoogconjunctuurhoogdaghoogdehoogdravendhoogdravendheidhoogdringendhoogduits
Toon alle woorden die beginnen met hoog

Deze woorden eindigen op hoog:
acht hoogga omhoogomhoogschat hoogtorenhoogval omhooghemelhoogmetershoogverhoogzit omhoog
Toon alle woorden die eindigen op hoog

Herkomst volgens etymologiebank.nl
hoog (zich opwaarts verheffende)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `hoog` kennen.