de hoed

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [hut]
Verbuigingen:  hoed|en (meerv.)

kledingstuk voor op je hoofd, vaak met een rand
Voorbeelden:  `een hoge hoed`,
`een jurk met bijpassende hoed`,
`In de winter draagt hij altijd een hoed.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
hoofddeksel

Spreekwoorden en zegswijzen
• zijn hoed zit altijd op zijn hoofd. (=hij groet nooit iemand.)
• zijn hoed staat op halfzeven. (=hij is dronken.)
• zich een hoedje schrikken (=zich enorm schrikken)
• van de hoed en de rand weten (=volledig geïnformeerd zijn)
• onder een hoedje te vangen zijn (=niet veel zeggen of mak zijn)
Toon alle 16 spreekwoorden die hoed bevatten

Intensiveringen
Hoe kun je met hoed een ander begrip versterken?
van de hoed en de rand weten;

21 definities op Encyclo
  1. inhoudsmaat voor steenkool en graan, zeer veel verschillende afmetingen gevonden o.a. zuid Holland-Zeeland
  2. Let op: Spelling van 1858 eene Nederlandsche maat voor steenkolen, 32 maten bevattende
  3. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-en), hoofddeksel (van mannen of vrouwen); een vilten -; een zijden -; een kardinaals-; de hertogelijke -; den - opzetten, ophouden...
  4. koker of bol met rand eromheen voor op je hoofd vb: zij droeg een grote hoed tegen de zon ik schrok me een hoedje [ik schrok heel erg] onder één hoedje spelen [met iema...
  5. [Mil. Woordenboek, spelling van 1861 ``Hoed``] Zie Hoofddeksel
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met hoed:
hoedanighedenhoedanigheidhoeddehoeddenhoedehoedenhoeden voorhoedenplankhoedenplankenhoederhoederechthoedt

Deze woorden eindigen op hoed:
behoedgehoedjichoedkardinaalshoedzonnehoedverhoedvingerhoedhogehoedvilthoedstrohoedbolhoed

Herkomst volgens etymologiebank.nl
hoed (hoofddeksel)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 100% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `hoed`.