gelijkstaan

werkw.
Verbuigingen:  stond gelijk
Verbuigingen:  gelijkgestaan

1) enz.

2) tweede betekenisomschrijving
Voorbeeld:  `Zin met het gelijkstaan in de tweede betekenis erin.`

3) ''gelijkstaan aan'' op hetzelfde neerkomen
Voorbeeld:  `Dat stond vroeger gelijk aan een doodvonnis.`

4) een gelijk aantal punten hebben in een wedstrijd
Voorbeeld:  `En met dat onverwachte doelpunt stonden de rivalen weer gelijk.`


Bron: WikiWoordenboek.