dagelijks

bijv.naamw.
Uitspraak:  [ˈdaxələks]

die of dat iedere dag weer gebeurt
Voorbeelden:  `De krant lezen behoort tot mijn dagelijkse bezigheden.`,
`dagelijks gaan sporten`
het dagelijks bestuur  (de leden van het bestuur met de algemene leiding)

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
alledaags daags gebruikelijk geregeld gewoon

Taaladvies
  1. Is dagdagelijks een correct woord? Zie Dagdagelijks / dagelijks
  2. Wat is correct: dagelijks of dagenlijks? Zie dagelijks / dagenlijks
  3. Wat is juist: het dagelijkse leven of het dagelijks leven? Zie het dagelijks leven / het dagelijkse leven


3 definities op Encyclo
  • •iedere dag voorkomend: "ons dagelijks brood". •iedere dag; "hij leest dagelijks de krant".
  • elke dag vb: ik zie hem dagelijks ik kan voorzien in mijn dagelijkse behoeften [genoeg geld verdienen om van te leven] het dagelijks bestuur [het bestuur dat alle lopende...
  • iedere dag Jaar van herkomst: 901-1000 (WPS )
  • Toon uitgebreidere definities

    Deze woorden eindigen op dagelijks:
    dagdagelijks

    Herkomst volgens etymologiebank.nl
    dagelijks (iedere dag terugkomend)