I de buren

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [ˈbyrə(n)]

bewoners van de huizen in de buurt van jouw huis
Voorbeelden:  `de buren van hiernaast`,
`bovenburen`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
omwonenden wijkbewoners

Spreekwoorden en zegswijzen
• het gras is altijd groener bij de buren (=er is altijd iets te vinden om jaloers op te zijn)
• bij de buren is het gras altijd groener. (=bij anderen lijkt het altijd beter (omdat men daar de interne problemen niet van kent).)
Naar de spreekwoorden

9 definities op Encyclo
  1. Nederzetting
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: ow. [gelijkvloeiend] (ik buurde, heb gebuurd), buurpraatjes houden. ~GERUCHT, o. [geen meervoud] rumoer in huis zoodat het de buren hoo...
  3. Nederlands knooppunt. Locatie: Overijssel • Wegnummers: A1 A35 • Vernoemd naar: Dorp
  4. •voltooid deelwoord van vara. (+audio)
  5. 1) Een buurpraatje gaan maken 2) Gelderse oranjestad 3) Gemeente in gelderland 4) Gemeente in Nederland 5) Naaste bewoners 6) Naasten 7) Nabijwonenden 8) Omwonende mensen...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met buren:
burengeruchtburenoverlastburenruzies

Deze woorden eindigen op buren:
noorderburenzuiderburen

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `buren` kennen.