de bof

zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  [bɔf]
Verbuigingen:  bof|fen (meerv.)

1) keer dat je boft
Voorbeeld:  `Wat een bof dat ik mag meerijden.`
Antoniem:  pech
Synoniemen:  mazzel, geluk

2) besmettelijke virusziekte bij jongeren
Voorbeelden:  `de bof hebben`,
`Door de bof zwelt je wang op en kun je moeilijk slikken.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
boffer geluk geluk hebbend oorspeekselklierontsteking parotitis

14 definities op Encyclo
  1. Begin-of-File; zie ook
  2. Begin-Of-File
  3. Begin of File, Een benaming voor het begin van een bestand Zie ook: EOF
  4. Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. (-fen), slag; stoot. ~FEN, [bedrijvend werkwoord] [gelijkvloeiend] (ik bofte, heb geboft), slaan; stooten; van boven naar beneden -,...
  5. De bof is een virusinfectie die meestal kinderen treft. Het komt vooral voor in dichtbevolkte gebieden en in gebieden met een lagere vaccinatiegraad (hoog aantal niet-ing...
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden beginnen met bof:
boffenbofferboffersbofkontbofkontenboftbofteboften

Deze woorden eindigen op bof:
tiesjebofbollebofwanbof

Herkomst volgens etymologiebank.nl
bof (doffe slag; gelukje; ziekte)

Hoe bekend is het woord?
Volgens het Centrum voor Leesonderzoek kent 99% van de Nederlanders en 99% van de Vlamingen het woord `bof`.