blazen

werkw.
Uitspraak:  [ˈblazə(n)]
Vervoegingen:  blies (verl.tijd enkelv.)
Vervoegingen:  heeft geblazen (volt.deelw.) Toon alle vervoegingen

met getuite lippen krachtig lucht uit je mond laten gaan
Voorbeelden:  `in je kopje blazen omdat je thee te heet is om te drinken`,
`op een trompet blazen`,
`De wind blaast me in het gezicht.`

© Kernerman Dictionaries.

Synoniemen
fluiten hijgen pijpen proesten puffen sissen tetteren

Spreekwoorden en zegswijzen
• van toeten noch blazen weten (=van iets geen verstand hebben)
• in het zakje blazen (=een ademtest ondergaan)
• in de bus blazen (=flink betalen)
• hoog van de toren blazen (=het grote woord willen hebben / opscheppen)
• geen veer van de mond kunnen blazen (=heel zwak zijn, heel arm zijn)
Toon alle 9 spreekwoorden die blazen bevatten

10 definities op Encyclo
  1. drinken
  2. Let op: Spelling (deels) uit 1864: [bedrijvend werkwoord] ow. [ongelijkvloeiend] (ik blies, heb geblazen), met meer kracht dan gewoonlijk door de lippen uitademen; - op, ...
  3. schieten
  4. met bolle wangen en getuite lippen diep uitademen vb: hij blies op zijn trompet een sissend geluid maken vb: toen de hond in de buurt kwam, begon de kat te blazen zeepbel...
  5. •een luchtstroom veroorzaken. •met een luchtstroom iets vervaardigen. •een blaasinstrument bespelen.
Toon uitgebreidere definities

Deze woorden eindigen op blazen:
aangeblazenafblazenafgeblazengalblazeninblazeningeblazenmeegeblazenopblazenopgeblazenbellenblazenleegblazenuitgeblazenurineblazenglasgeblazenglasblazenwaterblazenweggeblazenoverblazenuitblazenaanblazen

Herkomst volgens etymologiebank.nl
blazen (krachtig uitademen)

Hoe bekend is het woord?
Uit onderzoek van het Centrum voor Leesonderzoek blijkt dat alle Nederlanders en Vlamingen het woord `blazen` kennen.